Spaanse grammatica, eenvoudig uitgelegd
Gratis korte lessen Spaanse grammatica: lidwoorden, woordvolgorde, werkwoorden en meer. Lees de les en oefen hem daarna met gespreide herhaling in Langrit.
- Persoonlijke voornaamwoorden, tú en usted (pronombres personales) A1 · De persoonlijke voornaamwoorden Het Spaans heeft meer onderwerpsvoornaamwoorden dan het Nederlands. Het maakt
- Geslacht en lidwoorden (el, la, un, una) A1 · Elk zelfstandig naamwoord heeft een geslacht Elk Spaans zelfstandig naamwoord is mannelijk of vrouwelijk, ook
- Meervoud en congruentie van bijvoeglijke naamwoorden (plural y concordancia) A1 · Het meervoud van zelfstandige naamwoorden Enkelvoud eindigt op Regel Voorbeeld een klinker s erbij la casa → l
- Ser en estar: twee werkwoorden voor «zijn» A1 · Twee werkwoorden waar het Nederlands er één heeft Het Nederlands heeft één werkwoord «zijn». Het Spaans splits
- Tegenwoordige tijd: regelmatige werkwoorden op -ar, -er, -ir (presente) A1 · Drie werkwoordgroepen Spaanse infinitieven eindigen op ar, er of ir. Haal die uitgang eraf en je houdt de stam
- Tegenwoordige tijd: veelgebruikte onregelmatige werkwoorden (verbos irregulares) A1 · Juist de vaakst gebruikte werkwoorden zijn onregelmatig De werkwoorden die je het vaakst nodig hebt, volgen he
- Werkwoorden met klinkerwisseling: e→ie, o→ue, e→i (verbos con cambio vocálico) A1 · Wat er verandert Bij veel gewone werkwoorden verandert in de tegenwoordige tijd de beklemtoonde klinker van de
- Ontkenning (la negación) A1 · No vóór het werkwoord Een zin maak je ontkennend met no, en dat woordje staat direct vóór de persoonsvorm. Het
- Vragen en vraagwoorden (preguntas) A1 · Ja/neevragen Geschreven Spaans opent een vraag met ¿ en sluit hem af met ?. Een uitroep werkt net zo: ¡Qué bie
- Hay (er is, er zijn) tegenover estar A1 · Hay: er is, er zijn Hay komt van het werkwoord haber. Het betekent zowel «er is» als «er zijn» en verandert no
- Bezittelijke voornaamwoorden (adjetivos posesivos) A1 · De vormen Het bezittelijk voornaamwoord staat vóór het zelfstandig naamwoord, net als «mijn» en «jouw». Bezitt
- Getallen, data en klokkijken (números, fechas y la hora) A1 · Getallen 0100 09 1019 2029 30100 0 cero 10 diez 20 veinte 30 treinta 1 uno 11 once 21 veintiuno 31 treinta y u
- Gustar en vergelijkbare werkwoorden (verbos como gustar) A1 · Hoe gustar werkt Gustar werkt niet als «leuk vinden» of «houden van», maar als «bevallen» of «smaken»: wat je
- Aanwijzende voornaamwoorden: este, ese, aquel (demostrativos) A1 · Drie afstanden Het Nederlands heeft twee afstanden: «deze/dit» en «die/dat». Het Spaans heeft er drie: Afstand
- Basisvoorzetsels: a, en, de, con, desde, hasta (preposiciones) A1 · De belangrijkste voorzetsels Voorzetsel Belangrijkste gebruik Voorbeeld a richting (naar), tijdstip, persoonli
- Nabije toekomst: ir a + infinitief (futuro próximo) A1 · De constructie In alledaags Spaans praat je over de toekomst meestal met ir (tegenwoordige tijd) + a + infinit
- Wederkerende werkwoorden (verbos reflexivos) A2 · Wat een wederkerend werkwoord is Een wederkerend werkwoord heeft een voornaamwoord dat terugverwijst naar het
- Lijdend voorwerp: voornaamwoorden en persoonlijke a (objeto directo) A2 · Wat ze vervangen Het lijdend voorwerp ondergaat de handeling: Compro el pan. (Wat koop ik? Het brood.) Om herh
- Meewerkend voorwerp en dubbele voornaamwoorden (objeto indirecto) A2 · Wat een meewerkend voorwerp is Het meewerkend voorwerp is de persoon die iets krijgt of voor wie iets gebeurt:
- De pretérito indefinido (afgeronde verleden tijd) A2 · Wat de pretérito indefinido doet De pretérito indefinido vertelt over een handeling die op een bepaald moment
- De pretérito imperfecto (onvoltooid verleden tijd) A2 · Wat de imperfecto doet De pretérito imperfecto beschrijft het verleden zonder te zeggen wanneer iets ophield:
- Pretérito indefinido of imperfecto? A2 · Twee verleden tijden, andere verdeling Het Nederlands kiest tussen «ik heb gelezen» en «ik las», maar dat vers
- De pretérito perfecto (voltooid tegenwoordige tijd) A2 · Vorm: haber + voltooid deelwoord De pretérito perfecto bestaat uit de tegenwoordige tijd van haber en een volt
- Vergrotende en overtreffende trap (comparativos y superlativos) A2 · Meer, minder, even Het Spaans plakt geen uitgang aan het bijvoeglijk naamwoord zoals het Nederlandse «er». Het
- Estar + gerundio: bezig zijn met iets (presente progresivo) A2 · Vorm Estar in de tegenwoordige tijd plus het gerundio zegt dat iets op dit moment gebeurt, zoals het Nederland
- Por of para? A2 · Eén «voor», twee Spaanse woorden Het Nederlandse «voor» valt in het Spaans uiteen in por en para. Vuistregel:
- De gebiedende wijs (imperativo) A2 · Iemand iets opdragen Het Spaans kiest een andere vorm afhankelijk van wie je aanspreekt, en nog een andere vor
- De onvoltooid toekomende tijd (futuro simple) B1 · Eén rij uitgangen voor alle werkwoorden De futuro simple is de makkelijkste tijd om te bouwen: neem de hele in
- De voorwaardelijke wijs (condicional simple) B1 · Vorm De condicional gebruikt dezelfde stam als de toekomende tijd met de uitgangen van de imperfecto van er/ir
- De aanvoegende wijs, tegenwoordige tijd (presente de subjuntivo) B1 · Wat het is De subjuntivo is geen tijd maar een wijs. Hij staat in een bijzin na que als het hoofdwerkwoord een
- Betrekkelijke voornaamwoorden: que, quien, donde, lo que B1 · Que doet het meeste werk Que verbindt een bijzin met een zelfstandig naamwoord en werkt voor personen en dinge
- Imperfecto de subjuntivo en zinnen met si B2 · De vorm maken Neem de ellosvorm van de indefinido, haal ron weg en voeg de uitgangen toe. Omdat de stam uit de
- Passief en onpersoonlijk se (pasiva refleja y se impersonal) B2 · Het Spaans vermijdt de lijdende vorm Waar het Nederlands zegt «Hier worden huizen verkocht» of «Er wordt gezeg
- Indirecte rede (estilo indirecto) B2 · Weergeven in de tegenwoordige tijd Staat het inleidende werkwoord in de tegenwoordige tijd (dice, cuenta, expl
Bij elke les hoort een interactieve quiz en oefening met gespreide herhaling.
Start je gratis proefperiode