Langrit Start je gratis proefperiode

← Alle lessen Spaanse grammatica

Pretérito indefinido of imperfecto?

Gratis les Spaanse grammatica · A2

Twee verleden tijden, andere verdeling

Het Nederlands kiest tussen «ik heb gelezen» en «ik las», maar dat verschil gaat vooral over stijl. Het Spaanse verschil gaat over betekenis: de indefinido brengt het verhaal vooruit, de imperfecto schildert het decor waarin het gebeurt.

  • La película empezó a las ocho. — De film begon om acht uur. (één afgerond gebeuren)
  • La película era muy larga. — De film was erg lang. (beschrijving)

De basisverdeling

Indefinido Imperfecto
een afgerond gebeuren achtergrond, decor, beschrijving
een handeling die je telt of dateert een gewoonte, iets wat zich herhaalt
het begin of einde van iets iets wat al aan de gang was
een verandering hoe het vroeger was
  • Ayer fui al gimnasio. — Gisteren ben ik naar de sportschool gegaan. (één keer)
  • Antes iba al gimnasio cada mañana. — Vroeger ging ik elke ochtend naar de sportschool.

Onderbroken handelingen

De imperfecto geeft aan wat er aan de gang was; de indefinido komt ertussen.

  • Leía cuando sonó el teléfono. — Ik was aan het lezen toen de telefoon ging.
  • Dormíamos cuando llegaron los vecinos. — We lagen te slapen toen de buren thuiskwamen.
  • Mientras ella cocinaba, yo puse la mesa. — Terwijl zij kookte, dekte ik de tafel.

Twee keer imperfecto betekent twee dingen tegelijk: Mientras yo leía, él veía la tele.

Signaalwoorden

Indefinido Imperfecto
ayer, anoche siempre, nunca
la semana pasada, en 2019 todos los días, cada verano
de repente, entonces normalmente, a menudo
una vez, dos veces mientras, de pequeño

Dit zijn vuistregels, geen wetten: siempre kan de indefinido krijgen als de hele periode afgesloten is (Siempre fue un buen amigo).

Werkwoorden die van betekenis veranderen

Werkwoord Indefinido Imperfecto
conocer conocí — ik leerde kennen conocía — ik kende
saber supe — ik kwam erachter sabía — ik wist
querer no quise — ik weigerde no quería — ik wilde niet
poder pude — het lukte me podía — ik kon (in het algemeen)
haber hubo — er gebeurde (een voorval) había — er was (beschrijving)
  • Conocí a Marta en 2015. — Ik heb Marta in 2015 leren kennen.
  • Ya conocía a Marta. — Ik kende Marta al.
  • Hubo un accidente. — Er gebeurde een ongeluk. / Había mucha gente. — Er waren veel mensen.

Let op als Nederlandstalige

  • De Nederlandse vorm zegt niets over de Spaanse keuze. «Ik ging gisteren naar de sportschool» is een onvoltooid verleden tijd, maar een afgerond gebeuren. ✗ Ayer iba al gimnasio. / ✓ Ayer fui al gimnasio. Andersom: «Ik heb vroeger in Utrecht gewoond» is een voltooide tijd, maar beschrijft een toestand van toen. ✓ Antes vivía en Utrecht.
  • Een gewoonte is nooit indefinido.De niño fui al parque todos los días. / ✓ De niño iba al parque todos los días.
  • «Was aan het ... toen» vraagt om beide tijden.Leí cuando sonó el teléfono. / ✓ Leía cuando sonó el teléfono.
  • Hier helpt het Nederlands: «leren kennen» en «kennen» zijn ook twee dingen. «Ik heb mijn vrouw in 2010 leren kennen»: ✗ Conocía a mi mujer en 2010. / ✓ Conocí a mi mujer en 2010.

Voorbeelddialoog

¿Qué tal el viaje? — Hoe was de reis?
Bien, pero llovía todos los días. — Goed, maar het regende elke dag.
¿Y no salisteis? — En zijn jullie niet naar buiten gegaan?
Sí. Un día fuimos al museo y allí conocí a un chico de Bilbao. — Jawel. Op een dag gingen we naar het museum en daar leerde ik een jongen uit Bilbao kennen.
¿Hablabais en español? — Spraken jullie Spaans met elkaar?
Lo intenté, pero no pude entender nada. — Ik heb het geprobeerd, maar ik verstond er niets van.

Wil je dat het blijft hangen? Doe de interactieve quiz en oefen deze structuur met gespreide herhaling.

Oefen dit onderwerp gratis

Meer Spaanse grammatica