Vorm: haber + voltooid deelwoord
De pretérito perfecto bestaat uit de tegenwoordige tijd van haber en een voltooid deelwoord, net als het Nederlandse «ik heb gegeten».
| Persoon | haber | + deelwoord |
|---|---|---|
| yo | he | hablado |
| tú | has | comido |
| él / ella / usted | ha | vivido |
| nosotros/-as | hemos | trabajado |
| vosotros/-as (Spanje) | habéis | bebido |
| ellos / ellas / ustedes | han | salido |
Het deelwoord maak je met -ado bij -ar-werkwoorden en -ido bij -er en -ir. Eindigt de stam op een klinker als a, e, o, dan krijgt de í een accent: leer → leído, oír → oído, traer → traído.
Onregelmatige deelwoorden
| Infinitief | Deelwoord | Infinitief | Deelwoord |
|---|---|---|---|
| hacer | hecho | poner | puesto |
| decir | dicho | volver | vuelto |
| ver | visto | abrir | abierto |
| escribir | escrito | romper | roto |
| morir | muerto | cubrir | cubierto |
Samenstellingen volgen dezelfde vorm: describir → descrito, devolver → devuelto.
Niets tussen haber en het deelwoord
De twee woorden horen aan elkaar vast. Ontkenning en voornaamwoorden komen vóór haber; een bijwoord staat vóór haber of achter het deelwoord.
- No he terminado. — Ik ben nog niet klaar.
- Lo he visto esta mañana. — Ik heb het vanochtend gezien.
- Siempre he querido ir a Perú. — Ik wilde altijd al naar Peru.
Het deelwoord verandert na haber nooit: Las cartas, las he escrito hoy (niet escritas).
Wanneer gebruik je hem?
Bij een tijdvak dat nog niet voorbij is: hoy, esta mañana, esta semana, este año, en met ya, todavía no, nunca, alguna vez.
- Hoy he dormido mal. — Vandaag heb ik slecht geslapen.
- ¿Has estado alguna vez en México? — Ben je ooit in Mexico geweest?
- Todavía no hemos comido. — We hebben nog niet gegeten.
In Spanje hoor je deze tijd voortdurend. In het grootste deel van Latijns-Amerika gebruikt men in dezelfde situaties de indefinido: ¿Ya comiste? waar een Spanjaard ¿Ya has comido? zegt. Allebei zijn correct in hun eigen regio.
Let op als Nederlandstalige
- Altijd haber, nooit ser. Het Nederlands zegt «ik ben gegaan», «ze is gekomen». Het Spaans kent maar één hulpwerkwoord. ✗ Soy ido a Madrid. / ✓ He ido a Madrid. ✗ Es llegado. / ✓ Ha llegado.
- Het deelwoord staat niet achteraan. «Ik heb de film niet gezien» zet het deelwoord aan het eind. ✗ No he la película visto. / ✓ No he visto la película.
- Niet voor een afgesloten moment. Het Nederlandse «Ik heb gisteren gewerkt» wordt in Spanje ✓ Ayer trabajé, niet Ayer he trabajado. Gebruik he + deelwoord alleen bij hoy, esta semana, ya en dergelijke.
- «Ik woon hier al drie jaar» loopt gelijk. Beide talen gebruiken hier de tegenwoordige tijd. Het enige verschil is het woordje «al»: ✓ Vivo aquí desde hace tres años. / ✓ Llevo tres años aquí. Vertaal «sinds» niet letterlijk: ✗ Vivo aquí desde tres años.
Voorbeelddialoog
¿Has visto a Luis hoy? — Heb je Luis vandaag gezien?
No, todavía no ha llegado. — Nee, hij is er nog niet.
Qué raro. Le he escrito dos mensajes esta mañana. — Vreemd. Ik heb hem vanochtend twee berichtjes gestuurd.
Esta semana ha tenido mucho trabajo. — Hij heeft het deze week erg druk gehad.
Ya lo he entendido. Lo llamo mañana. — Ik snap het. Ik bel hem morgen.