Langrit Start je gratis proefperiode

← Alle lessen Spaanse grammatica

De pretérito imperfecto (onvoltooid verleden tijd)

Gratis les Spaanse grammatica · A2

Wat de imperfecto doet

De pretérito imperfecto beschrijft het verleden zonder te zeggen wanneer iets ophield: gewoontes, herhaalde handelingen, beschrijvingen en achtergrond. In het Nederlands vertaal je hem met «vroeger ... altijd», «was aan het ...» of gewoon de onvoltooid verleden tijd.

  • De niño jugaba al fútbol todos los días. — Als kind voetbalde ik elke dag.
  • La casa era vieja y tenía un jardín grande. — Het huis was oud en had een grote tuin.

Uitgangen

Persoon hablar comer vivir
yo hablaba comía vivía
hablabas comías vivías
él / ella / usted hablaba comía vivía
nosotros/-as hablábamos comíamos vivíamos
vosotros/-as (Spanje) hablabais comíais vivíais
ellos / ellas / ustedes hablaban comían vivían

-er- en -ir-werkwoorden delen de uitgangen op -ía, en al die vormen hebben een accent op de í. Bij -ar-werkwoorden krijgt alleen de nosotros-vorm een accent: hablábamos.

De yo- en él-vorm zijn gelijk, dus je hebt vaak een voornaamwoord of naam nodig: Yo trabajaba en Sevilla; ella trabajaba en Cádiz.

Maar drie onregelmatige werkwoorden

Persoon ser ir ver
yo era iba veía
eras ibas veías
él / ella / usted era iba veía
nosotros/-as éramos íbamos veíamos
vosotros/-as (Spanje) erais ibais veíais
ellos / ellas / ustedes eran iban veían

Werkwoorden met klinkerwisseling veranderen in de imperfecto niet: poder → podía, querer → quería, dormir → dormía.

Wanneer gebruik je hem?

Gebruik Voorbeeld
gewoonte, routine Siempre desayunábamos juntos. — We ontbeten altijd samen.
beschrijving Ana llevaba un vestido azul. — Ana droeg een blauwe jurk.
leeftijd Tenía quince años. — Ik was vijftien.
kloktijd Eran las diez de la noche. — Het was tien uur 's avonds.
weer en omgeving Hacía frío y no había nadie. — Het was koud en er was niemand.
twee dingen tegelijk Mientras yo cocinaba, él leía. — Terwijl ik kookte, las hij.
gevoel, gedachte No sabía qué decir. — Ik wist niet wat ik moest zeggen.

Typische signaalwoorden: siempre, todos los días, normalmente, a menudo, cada verano, mientras, cuando era pequeño.

Let op als Nederlandstalige

  • Leeftijd en kloktijd met tener en ser. «Ik was tien» wordt niet met «zijn» vertaald. ✗ Era diez años. / ✗ Fui diez años. / ✓ Tenía diez años.Fueron las tres. / ✓ Eran las tres.
  • «Vroeger ging ik altijd» zit al in de uitgang. Je hebt geen hulpwerkwoord of voltooide tijd nodig. ✗ Antes he ido siempre al parque. / ✓ Antes iba siempre al parque.
  • «Was aan het ...» is meestal gewoon de imperfecto. Estaba comiendo bestaat, maar comía zegt het al. Bij toestanden kan de progressieve vorm niet: ✗ Estaba siendo tarde. / ✓ Era tarde.
  • Het accent hoort bij de uitgang.comia, viviamos, eramos / ✓ comía, vivíamos, éramos.

Voorbeelddialoog

¿Dónde vivías cuando eras pequeño? — Waar woonde je toen je klein was?
Vivíamos en un pueblo cerca de Granada. — We woonden in een dorp bij Granada.
¿Y cómo era? — En hoe was het daar?
Era muy tranquilo. Había una plaza donde jugábamos todas las tardes. — Heel rustig. Er was een plein waar we elke middag speelden.
¿Ibais a la playa? — Gingen jullie naar het strand?
Sí, cada verano. Mi padre tenía un coche viejo. — Ja, elke zomer. Mijn vader had een oude auto.

Wil je dat het blijft hangen? Doe de interactieve quiz en oefen deze structuur met gespreide herhaling.

Oefen dit onderwerp gratis

Meer Spaanse grammatica