Wat de pretérito indefinido doet
De pretérito indefinido vertelt over een handeling die op een bepaald moment in het verleden begon en afgelopen is. In het Nederlands zeg je dat meestal met de voltooide tijd («ik heb gegeten») of de onvoltooid verleden tijd («ik at»).
- Ayer comí paella. — Gisteren heb ik paella gegeten.
- El tren salió a las ocho. — De trein vertrok om acht uur.
Regelmatige uitgangen
| Persoon | hablar | comer | vivir |
|---|---|---|---|
| yo | hablé | comí | viví |
| tú | hablaste | comiste | viviste |
| él / ella / usted | habló | comió | vivió |
| nosotros/-as | hablamos | comimos | vivimos |
| vosotros/-as (Spanje) | hablasteis | comisteis | vivisteis |
| ellos / ellas / ustedes | hablaron | comieron | vivieron |
-er- en -ir-werkwoorden delen dezelfde uitgangen. De nosotros-vorm van -ar en -ir is gelijk aan de tegenwoordige tijd (hablamos, vivimos); alleen de context laat het verschil zien.
Het accent bepaalt de betekenis
Het geschreven accent op de yo- en él-vorm is geen versiering.
- Yo hablo con ella. — Ik praat met haar. / Él habló con ella. — Hij praatte met haar.
- Hoy trabajo. — Vandaag werk ik. / Ayer trabajó Ana. — Gisteren werkte Ana.
Werkwoorden op -car, -gar en -zar veranderen in de yo-vorm van spelling om de klank te houden: buscar → busqué, llegar → llegué, empezar → empecé.
Onregelmatige vormen
Deze werkwoorden hebben een eigen stam en krijgen onbeklemtoonde uitgangen (-e, -iste, -o, -imos, -isteis, -ieron), nergens met een accent.
| Infinitief | Stam | yo | él / ella |
|---|---|---|---|
| tener | tuv- | tuve | tuvo |
| estar | estuv- | estuve | estuvo |
| poder | pud- | pude | pudo |
| hacer | hic- | hice | hizo |
| decir | dij- | dije | dijo |
| venir | vin- | vine | vino |
| querer | quis- | quise | quiso |
Hacer schrijf je als hizo, met z. Stammen op j verliezen de i in de derde persoon meervoud: dijeron, trajeron (nooit dijieron).
Ser en ir hebben precies dezelfde vormen: fui, fuiste, fue, fuimos, fuisteis, fueron. Dar krijgt de -er-uitgangen zonder accent: di, diste, dio, dimos, disteis, dieron.
- Fui al médico. — Ik ben naar de dokter geweest.
- La película fue muy larga. — De film duurde erg lang.
Typische tijdsaanduidingen
ayer, anoche, el lunes pasado, la semana pasada, en 2019, hace dos años, de repente, entonces.
Let op als Nederlandstalige
- «Ik heb gisteren ... » is geen he + deelwoord. Het Nederlands vertelt over gisteren met de voltooide tijd; in Spanje gaat een afgesloten moment als ayer met de pretérito indefinido. ✗ Ayer he comido paella. / ✓ Ayer comí paella.
- Zonder accent verander je de persoon. ✗ Ella hablo con Juan. / ✓ Ella habló con Juan.
- Sterke vormen krijgen geen accent. ✗ Yo tuvé, él hizó / ✓ Yo tuve, él hizo.
- «Was» is niet altijd fue. Voor een afgerond gebeuren klopt het (La fiesta fue ayer), maar een beschrijving krijgt de imperfecto: La casa era grande, niet fue grande.
Voorbeelddialoog
¿Qué hiciste el fin de semana? — Wat heb je dit weekend gedaan?
Fui a Valencia con Marta. Llegamos el sábado por la mañana. — Ik ben met Marta naar Valencia geweest. We kwamen zaterdagochtend aan.
¿Os gustó? — Vonden jullie het leuk?
Mucho. Comimos paella y vimos la catedral. — Heel erg. We hebben paella gegeten en de kathedraal gezien.
¿Y no pudisteis ir a la playa? — En konden jullie niet naar het strand?
No, empezó a llover. — Nee, het begon te regenen.