Wat een meewerkend voorwerp is
Het meewerkend voorwerp is de persoon die iets krijgt of voor wie iets gebeurt: «aan wie?» of «voor wie?». In Doy el libro a Juan is het boek het lijdend voorwerp en Juan het meewerkend voorwerp.
| Persoon | Voornaamwoord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| (aan) mij | me | Ana me escribe. — Ana schrijft mij. |
| (aan) jou | te | Te doy mi número. — Ik geef je mijn nummer. |
| (aan) hem, haar, u | le | Le mando un mensaje. — Ik stuur hem/haar een bericht. |
| (aan) ons | nos | Nos explica la lección. — Ze legt ons de les uit. |
| (aan) jullie (Spanje) | os | ¿Os traigo algo? — Zal ik jullie iets brengen? |
| (aan) hen, u (mv.) | les | Les compro regalos. — Ik koop cadeaus voor ze. |
Me, te, nos, os zijn gelijk aan de vormen van het lijdend voorwerp. Alleen de derde persoon verschilt: le / les (niet lo, la, los, las), zonder verschil tussen mannelijk en vrouwelijk.
De plaats is dezelfde: vóór de persoonsvorm, of vast aan een infinitief, gerundio of bevestigende gebiedende wijs: Le voy a escribir = Voy a escribir*le.*
De «dubbele» le
Het Spaans houdt le / les meestal ook als de persoon genoemd wordt. Dat is normaal en geen fout:
- Le doy el libro a Juan. — Ik geef Juan het boek.
- Les escribo a mis padres. — Ik schrijf mijn ouders.
- ¿Le has dicho la verdad a tu jefe? — Heb je je baas de waarheid verteld?
Bij a mí, a ti enzovoort is het korte voornaamwoord verplicht: Me lo dice a mí.
Twee voornaamwoorden samen
Staan een meewerkend en een lijdend voornaamwoord samen, dan is de volgorde meewerkend + lijdend: eerst de persoon, dan het ding.
| Zin | Met voornaamwoorden |
|---|---|
| Me das la sal. | Me la das. — Je geeft hem aan mij. |
| Te compro los zapatos. | Te los compro. — Ik koop ze voor je. |
| Nos envían el paquete. | Nos lo envían. — Ze sturen het naar ons. |
Le / les wordt se
Le of les kan niet direct vóór lo, la, los, las staan. Het wordt dan se:
| Kan niet | Correct |
|---|---|
| le lo | se lo |
| les la | se la |
| le los | se los |
- Doy el libro a Juan. → Se lo doy. — Ik geef het hem.
- Enviamos las fotos a nuestros amigos. → Se las enviamos. — We sturen ze naar hen.
- ¿Puedes explicar*le el problema?* → ¿Puedes explicár*selo?* (accent als er twee voornaamwoorden aan vastzitten)
Omdat se niet laat zien om wie het gaat, kun je a él, a ella, a usted toevoegen: Se lo doy a ella.
Let op als Nederlandstalige
- «Ik geef het hem» letterlijk overnemen. Het Nederlands zet «het» vóór «hem». ✗ Lo le doy. / ✗ Le lo doy. / ✓ Se lo doy.
- «Haar» en «hem» zijn in het Nederlands dubbelzinnig. «Ik zie haar» en «ik vertel haar» gebruiken hetzelfde woord; het Spaans onderscheidt la (lijdend) en le (meewerkend). ✗ La digo la verdad. / ✓ Le digo la verdad.
- De dubbele le weglaten. Het Nederlands noemt de persoon nooit twee keer. Doy un regalo a mi madre is grammaticaal, maar klinkt stijf; gewoon is ✓ Le doy un regalo a mi madre.
- «Aan mij» niet los gebruiken. ✗ Das a mí el libro. / ✓ Me das el libro.
Voorbeelddialoog
¿Le has dado el regalo a tu hermana? — Heb je je zus het cadeau gegeven?
Sí, se lo di ayer. ¡Le encantó! — Ja, ik heb het haar gisteren gegeven. Ze vond het geweldig!
¿Y las fotos de la boda? ¿Me las mandas? — En de trouwfoto's? Stuur je ze naar mij?
Claro, te las mando esta noche. — Natuurlijk, ik stuur ze je vanavond.