Langrit Start je gratis proefperiode

← Alle lessen Spaanse grammatica

Lijdend voorwerp: voornaamwoorden en persoonlijke a (objeto directo)

Gratis les Spaanse grammatica · A2

Wat ze vervangen

Het lijdend voorwerp ondergaat de handeling: Compro el pan. (Wat koop ik? Het brood.) Om herhaling te vermijden vervang je het door een voornaamwoord: Lo compro. — Ik koop het.

Persoon Voornaamwoord Voorbeeld
mij me Carlos me llama. — Carlos belt mij.
jou () te Te quiero. — Ik hou van je.
hem, het (mannelijk woord), u (man) lo Lo veo. — Ik zie hem / het.
haar, het (vrouwelijk woord), u (vrouw) la La conozco. — Ik ken haar.
ons nos ¿Nos ayudas? — Help je ons?
jullie (vosotros, Spanje) os Os invito. — Ik trakteer jullie.
hen, ze (mannelijk of gemengd), u (mv.) los Los llamo mañana. — Ik bel ze morgen.
hen, ze (vrouwelijk) las Las tengo aquí. — Ik heb ze hier.

Lo / la / los / las passen zich aan het Spaanse zelfstandig naamwoord aan: ¿Tienes la llave? Sí, la tengo. / ¿Dónde compras los tomates? Los compro en el mercado.

In een groot deel van Spanje zegt men voor een man ook le: Le veo (ik zie hem). Lo veo is overal correct.

Waar ze staan

Werkwoordsvorm Plaats Voorbeeld
persoonsvorm ervoor Lo leo. / No lo leo.
infinitief vóór de persoonsvorm of eraan vast La voy a llamar. = Voy a llamar*la.*
gerundio vóór estar of eraan vast (accent) Lo estoy leyendo. = Estoy leyéndo*lo.*
bevestigende gebiedende wijs eraan vast (vaak met accent) ¡Cómpra*lo!*
ontkennende gebiedende wijs ervoor ¡No lo compres!

Het voornaamwoord komt nooit tussen haber en het voltooid deelwoord: Lo he visto. — Ik heb het gezien.

Onzijdig lo

Lo kan een hele gedachte of zin vervangen, zoals het Nederlandse «het»:

  • ¿Sabes dónde vive Ana? No, no lo sé. — Weet je waar Ana woont? Nee, dat weet ik niet.
  • ¿Es médica? Sí, lo es. — Is ze arts? Ja, dat is ze.

Persoonlijke a

Is het lijdend voorwerp een bepaalde persoon (of een huisdier dat als persoon telt), dan zet je er a voor. In het Nederlands vertaal je die a niet.

Ding: geen a Persoon: a
Veo la catedral. Veo a María.
Busco mi móvil. Busco a mi hijo.
Conozco Madrid. Conozco a tu hermano.
  • Na tener gebruik je meestal geen persoonlijke a: Tengo dos hermanos.
  • Vóór alguien en nadie staat hij altijd: ¿Ves a alguien? No veo a nadie.

Let op als Nederlandstalige

  • Het voornaamwoord komt vóór het werkwoord. «Ik zie hem» zet «hem» achteraan. ✗ Veo lo. / ✓ Lo veo.Tengo la. / ✓ La tengo.
  • «Hem» is niet automatisch lo. Het Nederlands zegt «Heb je de sleutel? Ja, ik heb hem», maar la llave is vrouwelijk. ✗ Sí, lo tengo. / ✓ Sí, la tengo.
  • De persoonlijke a vergeten. Het Nederlands heeft niets vergelijkbaars. ✗ Visito mi abuela. / ✓ Visito a mi abuela.Espero Juan. / ✓ Espero a Juan.
  • Geen onderwerpsvorm als voorwerp.Veo él. / ✓ Lo veo. Het onzijdige «het» bij «ik weet het niet» loopt wel gelijk: No lo sé.

Voorbeelddialoog

¿Has visto mis gafas? — Heb je mijn bril gezien?
Sí, las tienes en la cabeza. — Ja, die staat op je hoofd.
¡Ah, es verdad! ¿Y a Pablo, lo ves hoy? — O, dat is waar! En Pablo, zie je hem vandaag?
Sí, voy a verlo por la tarde. ¿Lo llamo? — Ja, ik zie hem vanmiddag. Zal ik hem bellen?

Wil je dat het blijft hangen? Doe de interactieve quiz en oefen deze structuur met gespreide herhaling.

Oefen dit onderwerp gratis

Meer Spaanse grammatica