Langrit Start je gratis proefperiode

← Alle lessen Spaanse grammatica

Wederkerende werkwoorden (verbos reflexivos)

Gratis les Spaanse grammatica · A2

Wat een wederkerend werkwoord is

Een wederkerend werkwoord heeft een voornaamwoord dat terugverwijst naar het onderwerp, zoals «zich» in «zich wassen». In het woordenboek eindigen deze werkwoorden op -se: levantarse, ducharse, llamarse.

Persoon Voornaamwoord levantarse (opstaan)
yo me me levanto
te te levantas
él / ella / usted se se levanta
nosotros/-as nos nos levantamos
vosotros/-as (Spanje) os os levantáis
ellos / ellas / ustedes se se levantan

Het rijtje lijkt op het Nederlandse «me, je, zich, ons, je, zich».

Dagelijkse routine

Veel alledaagse handelingen zijn in het Spaans wederkerend, ook als het Nederlands geen «zich» heeft:

Werkwoord Betekenis Voorbeeld
despertarse (e→ie) wakker worden Me despierto a las siete.
levantarse opstaan Me levanto enseguida.
ducharse douchen Me ducho por la mañana.
lavarse (los dientes) zich wassen, tanden poetsen Me lavo los dientes.
vestirse (e→i) zich aankleden Los niños se visten solos.
acostarse (o→ue) naar bed gaan Nos acostamos tarde.
llamarse heten ¿Cómo te llamas?
sentarse (e→ie) gaan zitten Siéntate, por favor.

Waar het voornaamwoord staat

Werkwoordsvorm Plaats Voorbeeld
persoonsvorm ervoor Me ducho. / No me ducho.
infinitief vóór de persoonsvorm of eraan vast Me voy a duchar. = Voy a duchar*me.*
gerundio vóór estar of eraan vast (met accent) Me estoy duchando. = Estoy duchándo*me.*
bevestigende gebiedende wijs eraan vast (vaak met accent) ¡Levánta*te!*

Bij een infinitief past het voornaamwoord zich aan het onderwerp aan: Quiero acostar*me pronto.* / ¿Quieres acostar*te?*

Met of zonder se: andere betekenis

Zonder se Met se
Lavo el coche. — Ik was de auto. Me lavo. — Ik was me.
Llamo a Pedro. — Ik bel Pedro. Me llamo Pedro. — Ik heet Pedro.
Voy a casa. — Ik ga naar huis. Me voy a casa. — Ik ga ervandoor, naar huis.
Duermo mucho. — Ik slaap veel. Me duermo en el sofá. — Ik val in slaap op de bank.
Pongo la mesa. — Ik dek de tafel. Me pongo el abrigo. — Ik trek mijn jas aan.

Se kan ook «elkaar» betekenen: Ana y Luis se quieren. — Ana en Luis houden van elkaar.

Let op als Nederlandstalige

  • Geen «zich» in het Nederlands, wel se in het Spaans. Opstaan, douchen, heten en naar bed gaan zijn in het Nederlands gewone werkwoorden. ✗ Levanto a las siete. / ✓ Me levanto a las siete.Ducho por la mañana. / ✓ Me ducho por la mañana.
  • Het voornaamwoord staat vóór de persoonsvorm. Het Nederlands zegt «ik was me». ✗ Lavo me. / ✓ Me lavo.
  • Geen «mijn» bij lichaamsdelen en kleding. «Ik was mijn handen» wordt: ✗ Me lavo mis manos. / ✓ Me lavo las manos.Me pongo mi chaqueta. / ✓ Me pongo la chaqueta.
  • Hier lijken de talen op elkaar: ook in het Nederlands past het voornaamwoord zich aan («we moeten ons haasten»). Neem dus niet het -se uit het woordenboek over. ✗ Tenemos que levantarse temprano. / ✓ Tenemos que levantar*nos temprano.*

Voorbeelddialoog

¿A qué hora te levantas? — Hoe laat sta je op?
Me levanto a las seis y media y me ducho enseguida. — Ik sta om half zeven op en ga meteen douchen.
¡Qué pronto! Yo me despierto a las ocho. — Wat vroeg! Ik word om acht uur wakker.
Ya, pero me acuesto a las diez. Siempre me duermo leyendo. — Ja, maar ik ga om tien uur naar bed. Ik val altijd in slaap tijdens het lezen.

Wil je dat het blijft hangen? Doe de interactieve quiz en oefen deze structuur met gespreide herhaling.

Oefen dit onderwerp gratis

Meer Spaanse grammatica