Langrit Start je gratis proefperiode

← Alle lessen Spaanse grammatica

Nabije toekomst: ir a + infinitief (futuro próximo)

Gratis les Spaanse grammatica · A1

De constructie

In alledaags Spaans praat je over de toekomst meestal met ir (tegenwoordige tijd) + a + infinitief. Het lijkt sterk op het Nederlandse «gaan + infinitief»: «ik ga eten».

Persoon ir + a + infinitief
yo voy a comer
vas a comer
él / ella / usted va a comer
nosotros/-as vamos a comer
vosotros/-as (Spanje) vais a comer
ellos / ellas / ustedes van a comer

Alleen ir verandert. De a staat er altijd, en het tweede werkwoord blijft een infinitief.

  • Voy a llamar a mi madre. — Ik ga mijn moeder bellen.
  • ¿Qué vas a hacer este fin de semana? — Wat ga je dit weekend doen?
  • Vamos a ver una película. — We gaan een film kijken.

Wanneer gebruik je het?

Gebruik Voorbeeld
plannen en voornemens Este verano voy a aprender a nadar. — Deze zomer ga ik leren zwemmen.
voorspelling op basis van wat je ziet Mira las nubes. Va a llover. — Kijk die wolken. Het gaat regenen.
iets wat zo meteen gebeurt ¡Cuidado! Te vas a caer. — Pas op! Je valt zo.

Veelgebruikte tijdsaanduidingen: mañana (morgen), esta noche (vanavond), el próximo lunes / el lunes que viene (volgende week maandag), la semana que viene (volgende week), pronto (binnenkort), dentro de dos días (over twee dagen).

Ontkenning, vragen en voornaamwoorden

  • No voy a salir esta noche. — Ik ga vanavond niet uit.
  • ¿A qué hora vais a llegar? — Hoe laat komen jullie aan?
  • Voornaamwoorden staan vóór ir of vast aan de infinitief. Allebei zijn correct:
    • Lo voy a comprar. = Voy a comprar*lo.* — Ik ga het kopen.
    • Me voy a duchar. = Voy a duchar*me.* — Ik ga douchen.

Vamos a + infinitief kan ook «laten we» betekenen: Vamos a empezar. — Laten we beginnen.

De tegenwoordige tijd voor vaste afspraken

Voor afspraken en dienstregelingen gebruikt het Spaans vaak gewoon de tegenwoordige tijd met een tijdsaanduiding, precies zoals het Nederlands:

  • El tren sale a las siete. — De trein vertrekt om zeven uur.
  • Mañana trabajo hasta las tres. — Morgen werk ik tot drie uur.
  • ¿Vienes a la fiesta el sábado? — Kom je zaterdag naar het feest?

Let op als Nederlandstalige

  • De a vergeten. «Ik ga eten» heeft geen tussenwoord, het Spaans wel. ✗ Voy comer. / ✓ Voy a comer.
  • De infinitief staat niet achteraan. Het Nederlands schuift de infinitief naar het eind: «Ik ga morgen de auto wassen». In het Spaans volgt de infinitief direct op a. ✗ Voy a mañana el coche lavar. / ✓ Voy a lavar el coche mañana.
  • Het tweede werkwoord niet vervoegen.Vamos a comemos. / ✓ Vamos a comer.
  • Hier lijken de talen op elkaar: allebei gebruiken ze de tegenwoordige tijd voor vaste plannen (Salgo mañana = «Ik vertrek morgen»). Eén verschil: «ik ga gaan» zeg je in het Nederlands niet, maar voy a ir is heel gewoon Spaans: ✓ Mañana voy a ir al médico.

Voorbeelddialoog

¿Qué vas a hacer el sábado? — Wat ga je zaterdag doen?
Voy a visitar a mis abuelos. ¿Y tú? — Ik ga bij mijn opa en oma op bezoek. En jij?
Mi hermano y yo vamos a pintar su piso. — Mijn broer en ik gaan zijn appartement schilderen.
Pues el domingo hacemos una barbacoa. ¿Venís? — Nou, zondag houden wij een barbecue. Komen jullie?

Wil je dat het blijft hangen? Doe de interactieve quiz en oefen deze structuur met gespreide herhaling.

Oefen dit onderwerp gratis

Meer Spaanse grammatica