Ja/nee-vragen
Geschreven Spaans opent een vraag met ¿ en sluit hem af met ?. Een uitroep werkt net zo: ¡Qué bien!
Een ja/nee-vraag kan dezelfde woordvolgorde hebben als een mededeling; in gesproken taal hoor je de vraag aan de stijgende intonatie. Het onderwerp mag ook achter het werkwoord.
- Tienes hermanos. → ¿Tienes hermanos? — Heb je broers of zussen?
- ¿Marta vive aquí? / ¿Vive Marta aquí? — Woont Marta hier?
Het openingsteken ¿ staat waar de vraag echt begint, en dat is niet altijd het begin van de zin: *Y tú, **¿*de dónde eres?
Vraagwoorden
Alle vraagwoorden krijgen een geschreven accent.
| Woord | Betekenis | Voorbeeld |
|---|---|---|
| ¿qué? | wat? welk? | ¿Qué haces? |
| ¿quién? / ¿quiénes? | wie? | ¿Quién es? / ¿Quiénes son? |
| ¿dónde? | waar? | ¿Dónde vives? |
| ¿adónde? | waarheen? | ¿Adónde vas? |
| ¿de dónde? | waarvandaan? | ¿De dónde eres? |
| ¿cuándo? | wanneer? | ¿Cuándo llegas? |
| ¿cómo? | hoe? | ¿Cómo te llamas? |
| ¿cuánto/-a? ¿cuántos/-as? | hoeveel? | ¿Cuántas hermanas tienes? |
| ¿por qué? | waarom? | ¿Por qué estudias español? |
| ¿cuál? / ¿cuáles? | welke? wat? | ¿Cuál es tu número? |
Na een vraagwoord staat het onderwerp (als je het noemt) achter het werkwoord, net als in het Nederlands: ¿Dónde trabaja tu padre? — Waar werkt je vader?
Por qué of porque?
| Schrijfwijze | Betekenis | |
|---|---|---|
| vraag | por qué (twee woorden, accent) | waarom |
| antwoord | porque (één woord, geen accent) | omdat |
- ¿Por qué no vienes? Porque estoy enfermo. — Waarom kom je niet? Omdat ik ziek ben.
Ook in een indirecte vraag blijft het accent: No sé dónde vive. — Ik weet niet waar hij woont. Zonder vraagbetekenis valt het weg: La casa donde vivo. — Het huis waar ik woon.
Qué of cuál?
- qué + zelfstandig naamwoord: ¿Qué libro lees? — Welk boek lees je?
- qué + ser vraagt naar een definitie: ¿Qué es un piso? — Wat is een piso?
- cuál + ser vraagt naar één gegeven uit een reeks, zoals een naam, nummer of datum: ¿Cuál es tu dirección? — Wat is je adres?
Het voorzetsel komt vooraan
Een voorzetsel staat altijd vóór het vraagwoord, nooit los aan het eind.
- ¿Con quién vives? — Met wie woon je?
- ¿De qué hablas? — Waar heb je het over?
- ¿Para qué es esto? — Waar is dit voor?
Let op als Nederlandstalige
- Gesplitste vraagwoorden. Het Nederlands zet het voorzetsel vaak achteraan: «Waar kom je vandaan?», «Waar heb je het over?». Het Spaans houdt ze bij elkaar. ✗ ¿Dónde eres de? / ✓ ¿De dónde eres? ✗ ¿Qué hablas de? / ✓ ¿De qué hablas?
- «Wat is je adres/telefoonnummer?» gaat met cuál. ✗ ¿Qué es tu número de teléfono? / ✓ ¿Cuál es tu número de teléfono? Naar een naam vraag je met ¿Cómo te llamas?
- Hoeveel verandert mee. Het Nederlandse «hoeveel» blijft altijd hetzelfde, cuánto niet. ✗ ¿Cuánto personas? / ✓ ¿Cuántas personas?
- Inversie mag, maar hoeft niet. Hier lijken de talen op elkaar: ¿Vive Marta aquí? is net als «Woont Marta hier?». Het verschil zit in de tekens en accenten: ✗ Donde vives? / ✓ ¿Dónde vives?
Voorbeelddialoog
¿Cómo te llamas? — Hoe heet je?
Me llamo Omar. Y tú, ¿de dónde eres? — Ik heet Omar. En waar kom jij vandaan?
Soy de Perú. ¿Por qué estudias español? — Ik kom uit Peru. Waarom leer je Spaans?
Porque trabajo con clientes de México. ¿Con quién vives aquí? — Omdat ik met klanten uit Mexico werk. Met wie woon je hier?