Langrit Start je gratis proefperiode

← Alle lessen Spaanse grammatica

Hay (er is, er zijn) tegenover estar

Gratis les Spaanse grammatica · A1

Hay: er is, er zijn

Hay komt van het werkwoord haber. Het betekent zowel «er is» als «er zijn» en verandert nooit voor enkelvoud of meervoud.

  • Hay un banco en esta calle. — Er is een bank in deze straat.
  • Hay dos bancos en esta calle. — Er zijn twee banken in deze straat.
  • ¿Hay leche? — Is er melk?
  • No hay problema. — Geen probleem.

Met hay breng je iets nieuws ter sprake: je zegt dat het bestaat of ergens te vinden is.

Wat er na hay komt

Na hay Voorbeeld
un / una / unos / unas Hay una farmacia cerca.
een getal Hay tres sillas.
mucho, poco, algún, varios Hay muchos turistas.
zelfstandig naamwoord zonder lidwoord ¿Hay pan? / No hay tiempo.

Hay staat niet vóór el, la, los, las, bezittelijke woorden (mi, tu) of namen.

Estar: waar iets bekends is

Met estar zeg je waar een bepaald, al bekend ding of persoon zich bevindt. Estar past zich aan het onderwerp aan.

Bij estar Voorbeeld
el / la / los / las + zelfstandig naamwoord La farmacia está en la plaza.
bezittelijk woord + zelfstandig naamwoord Mis llaves están en la mesa.
een naam of voornaamwoord Carlos está en casa. / Tú estás aquí.

Vergelijk

Iets nieuws: hay Iets bepaalds: estar
¿Hay un supermercado por aquí? — Is er hier een supermarkt? ¿Dónde está el supermercado? — Waar is de supermarkt?
Hay unos niños en el parque. — Er zijn wat kinderen in het park. Los niños están en el parque. — De kinderen zijn in het park.
En mi calle hay un bar. — In mijn straat is een café. El bar está en mi calle. — Het café is in mijn straat.

Hay que + infinitief

Hay que + infinitief betekent «je moet» of «men moet» als algemene verplichting, zonder een bepaalde persoon:

  • Hay que pagar en la caja. — Je moet bij de kassa betalen.
  • Hay que reservar mesa. — Je moet een tafel reserveren.

Gaat het om een bepaalde persoon, gebruik dan tener que: Tengo que pagar. — Ik moet betalen.

Let op als Nederlandstalige

  • «Er is» en «er zijn» zijn allebei hay. Het Nederlands wisselt tussen is en zijn; hay nooit. ✗ Han dos bancos aquí. / ✗ Son dos bancos aquí. / ✓ Hay dos bancos aquí.
  • Het Nederlands zegt vaak «er staat» of «er ligt». «Er staat een bank op de hoek» vertaal je niet met estar maar met hay. ✗ Está un banco en la esquina. / ✓ Hay un banco en la esquina.
  • Geen hay met de, het of een naam. Het Nederlands zegt probleemloos «Daar is het ziekenhuis». Een bepaald ding krijgt in het Spaans estar. ✗ Hay el hospital en la calle Mayor. / ✓ El hospital está en la calle Mayor.
  • «Er» vertaal je niet. Het Nederlandse «er» of «daar» heeft geen Spaanse tegenhanger in deze zinnen; hay bevat het al. ✗ Allí hay un banco als je gewoon «er is een bank» bedoelt / ✓ Hay un banco. Allí betekent echt «daar (ginds)».

Voorbeelddialoog

Perdone, ¿hay un cajero automático por aquí? — Pardon, is er hier ergens een geldautomaat?
Sí, hay uno en la plaza, al lado del banco. — Ja, er is er een op het plein, naast de bank.
¿Y dónde está la plaza? — En waar is het plein?
Está al final de esta calle. Hay que girar a la derecha. — Aan het eind van deze straat. Je moet rechtsaf slaan.

Wil je dat het blijft hangen? Doe de interactieve quiz en oefen deze structuur met gespreide herhaling.

Oefen dit onderwerp gratis

Meer Spaanse grammatica