Langrit Start je gratis proefperiode

← Alle lessen Spaanse grammatica

Bezittelijke voornaamwoorden (adjetivos posesivos)

Gratis les Spaanse grammatica · A1

De vormen

Het bezittelijk voornaamwoord staat vóór het zelfstandig naamwoord, net als «mijn» en «jouw».

Bezitter Eén ding Meer dingen
yo mi mis
tu tus
él / ella / usted su sus
nosotros/-as nuestro / nuestra nuestros / nuestras
vosotros/-as (Spanje) vuestro / vuestra vuestros / vuestras
ellos / ellas / ustedes su sus
  • Mi, tu, su hebben geen mannelijke of vrouwelijke vorm: mi padre, mi madre.
  • Alleen nuestro en vuestro hebben vier vormen.
  • Tu (jouw) heeft geen accent. met accent is het persoonlijk voornaamwoord «jij».

Overeenkomst met het bezit

Het bezittelijk voornaamwoord past zich aan wat je bezit aan, niet aan de bezitter.

  • Mis hijos — mijn kinderen (één bezitter, meer kinderen)
  • Nuestra casa — ons huis (meer bezitters, één huis, vrouwelijk)
  • Nuestros amigos — onze vrienden
  • Pablo y su hermana — Pablo en zijn zus
  • Ana y sus hermanos — Ana en haar broers

Het Nederlands kent dit principe al een beetje: «ons huis» maar «onze tafel» hangt ook af van het zelfstandig naamwoord. Nuestro/nuestra werkt net zo, alleen met mannelijk en vrouwelijk in plaats van de- en het-woorden.

Su heeft veel betekenissen

Su / sus kan zijn, haar, uw en hun betekenen:

Zin Mogelijke betekenissen
Es su coche. zijn auto / haar auto / uw auto / hun auto

Meestal maakt de context het duidelijk. Is dat niet zo, vervang su dan door lidwoord + de + voornaamwoord:

In plaats van su coche Betekenis
el coche de él zijn auto
el coche de ella haar auto
el coche de usted uw auto
el coche de ellos / de ellas hun auto
  • ¿Es su maleta? Es la maleta de ella, no la de él. — Is dat zijn/haar koffer? Het is haar koffer, niet de zijne.

Lichaamsdelen en kleding

Bij lichaamsdelen en kleding gebruikt het Spaans meestal het lidwoord, niet een bezittelijk voornaamwoord, als uit het werkwoord al blijkt van wie het is:

  • Me duele la cabeza. — Ik heb hoofdpijn. / Mijn hoofd doet pijn.
  • Me lavo las manos. — Ik was mijn handen.
  • Juan se pone el abrigo. — Juan trekt zijn jas aan.

Let op als Nederlandstalige

  • Su zegt niets over de bezitter. Het Nederlandse «zijn» en «haar» laten zien of de bezitter een man of vrouw is; su doet dat niet. Wil je dat verschil maken, gebruik dan de él / de ella. En de vorm hangt af van het bezit: ✗ Ana y su hermanas / ✓ Ana y sus hermanas.
  • Nuestro volgt het zelfstandig naamwoord.nuestro casa / ✓ nuestra casa. Denk aan «onze» tegenover «ons», maar dan met de Spaanse geslachten.
  • Geen «mijn» bij lichaamsdelen. Het Nederlands zegt «Ik was mijn handen». ✗ Me lavo mis manos. / ✓ Me lavo las manos.Me duele mi cabeza. / ✓ Me duele la cabeza.
  • «Een vriend van mij» is geen un amigo de mí.un amigo mío (de lange vorm, achter het zelfstandig naamwoord). Het formele «uw» is gewoon su, daarin lijken de talen op elkaar: ¿Es su pasaporte, señora?

Voorbeelddialoog

¿Esta es tu familia? — Is dit jouw familie?
Sí. Estos son mis padres y esta es mi hermana con su marido. — Ja. Dit zijn mijn ouders en dit is mijn zus met haar man.
¿Y ese perro es vuestro? — En is die hond van jullie?
Sí, es nuestro perro, Toby. — Ja, dat is onze hond, Toby.

Wil je dat het blijft hangen? Doe de interactieve quiz en oefen deze structuur met gespreide herhaling.

Oefen dit onderwerp gratis

Meer Spaanse grammatica