Hoe gustar werkt
Gustar werkt niet als «leuk vinden» of «houden van», maar als «bevallen» of «smaken»: wat je leuk vindt is het onderwerp, en de persoon die het leuk vindt is het meewerkend voorwerp.
- Me gusta el café. — Ik vind koffie lekker. (letterlijk: koffie bevalt mij)
- Me gustan los perros. — Ik hou van honden. (letterlijk: honden bevallen mij)
Het werkwoord past zich dus aan het ding aan, niet aan de persoon. In de tegenwoordige tijd heb je bijna altijd maar twee vormen nodig:
| Wat je leuk vindt | Werkwoord |
|---|---|
| enkelvoudig zelfstandig naamwoord | gusta |
| meervoudig zelfstandig naamwoord | gustan |
| infinitief (één of meer) | gusta |
- Me gusta bailar. — Ik dans graag.
- Me gusta cocinar y leer. — Ik kook en lees graag.
De voornaamwoorden
| Wie het leuk vindt | Voornaamwoord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| ik | me | Me gusta el té. |
| jij (tú) | te | ¿Te gustan las películas de miedo? |
| hij / zij / u | le | Le gusta viajar. |
| wij | nos | Nos gusta la playa. |
| jullie (vosotros, Spanje) | os | ¿Os gusta el piso? |
| zij / u (mv., ustedes) | les | Les gustan los niños. |
Een zelfstandig naamwoord krijgt na gustar meestal het bepaald lidwoord: Me gusta el chocolate (chocola in het algemeen).
A mí, a ti, a Juan
Voor nadruk, contrast of duidelijkheid zet je a + voornaamwoord of naam vóór het werkwoord. Het korte voornaamwoord blijft staan.
| Nadruk / duidelijkheid | Voornaamwoord (altijd nodig) |
|---|---|
| A mí | me gusta |
| A ti | te gusta |
| A él / A ella / A usted / A Juan | le gusta |
| A nosotros/-as | nos gusta |
| A vosotros/-as | os gusta |
| A ellos / A ellas / A ustedes / A mis padres | les gusta |
- A mí me gusta el fútbol, pero a mi mujer no le gusta. — Ik hou van voetbal, maar mijn vrouw niet.
- Me encanta el cine. ¿Y a ti? — Ik ben gek op film. En jij?
- A mí también. / A mí no. — Ik ook. / Ik niet.
Andere werkwoorden zoals gustar
| Werkwoord | Betekenis | Voorbeeld |
|---|---|---|
| encantar | dol zijn op | Me encantan las fresas. |
| interesar | interesseren | Nos interesa la historia. |
| doler (o→ue) | pijn doen | Me duele la cabeza. / Me duelen los pies. |
| molestar | storen | ¿Te molesta el ruido? |
| parecer | lijken | Me parece buena idea. |
Encantar is al sterk: zet er geen mucho bij.
Let op als Nederlandstalige
- De persoon is niet het onderwerp. «Ik vind», «ik hou van» maken van jou het onderwerp. ✗ Yo gusto el café. / ✓ Me gusta el café. (Yo gusto betekent «ik val in de smaak».) Het Nederlandse «Dat bevalt me» of «Dat staat me aan» heeft wel precies de Spaanse opbouw.
- Het werkwoord volgt het ding. ✗ Me gusta los libros. / ✓ Me gustan los libros. ✗ Nos gustamos la música. / ✓ Nos gusta la música.
- A mí vervangt me nooit. ✗ A mí gusta. / ✓ A mí me gusta. ✗ Mi hermano le gusta. / ✓ A mi hermano le gusta.
- Lidwoord niet vergeten. «Ik hou van muziek» heeft geen lidwoord. ✗ Me gusta música. / ✓ Me gusta la música.
Voorbeelddialoog
¿Te gusta este restaurante? — Vind je dit restaurant goed?
Sí, me encanta. Me gustan mucho sus tapas. — Ja, ik vind het geweldig. Hun tapas vind ik erg lekker.
A mí también. Pero a mis hijos no les gusta el pescado. — Ik ook. Maar mijn kinderen houden niet van vis.
¿Y qué les gusta? — En wat lusten ze wel?
Les gustan las patatas fritas. — Ze houden van patat.