No vóór het werkwoord
Een zin maak je ontkennend met no, en dat woordje staat direct vóór de persoonsvorm. Het Spaans heeft geen apart «geen»: no doet beide.
- Hablo francés. → No hablo francés. — Ik spreek geen Frans.
- Ana vive aquí. → Ana no vive aquí. — Ana woont hier niet.
- ¿No tienes coche? — Heb je geen auto?
Voornaamwoorden blijven tussen no en het werkwoord staan:
- No lo sé. — Ik weet het niet.
- No me gusta. — Ik vind het niet lekker / niet leuk.
Een kort antwoord heeft vaak twee keer no: de eerste is het antwoord, de tweede ontkent het werkwoord.
- ¿Eres de aquí? No, no soy de aquí. — Kom je hier vandaan? Nee, ik kom hier niet vandaan.
Ontkennende woorden
| Bevestigend | Ontkennend |
|---|---|
| algo (iets) | nada (niets) |
| alguien (iemand) | nadie (niemand) |
| siempre / a veces (altijd / soms) | nunca / jamás (nooit) |
| también (ook) | tampoco (ook niet) |
| algún / alguno/-a (een of ander) | ningún / ninguno/-a (geen enkel) |
| o ... o (of ... of) | ni ... ni (noch ... noch) |
Dubbele ontkenning is verplicht
Staat een ontkennend woord achter het werkwoord, dan moet er ook no vóór het werkwoord. Twee ontkenningen heffen elkaar niet op, ze versterken elkaar.
- No veo a nadie. — Ik zie niemand.
- No hago nada los domingos. — Op zondag doe ik niets.
- No voy nunca al gimnasio. — Ik ga nooit naar de sportschool.
- No tengo ningún problema. — Ik heb geen enkel probleem.
- No bebo ni café ni té. — Ik drink koffie noch thee.
Ontkennend woord vooraan: geen no
Staat het ontkennende woord vóór het werkwoord, dan valt no weg. De betekenis blijft gelijk:
| Ontkennend woord achter het werkwoord | Ontkennend woord ervoor |
|---|---|
| No voy nunca. | Nunca voy. |
| No viene nadie. | Nadie viene. |
| No me gusta tampoco. | Tampoco me gusta. |
Ninguno wordt ningún vóór een mannelijk enkelvoudig zelfstandig naamwoord en staat bijna altijd in het enkelvoud: No tengo ningún amigo aquí. — Ik heb hier geen vrienden.
Let op als Nederlandstalige
- Het Nederlands ontkent één keer, het Spaans twee keer. «Ik zie niemand» heeft maar één ontkenning, dus laat je no makkelijk weg. ✗ Veo a nadie. / ✓ No veo a nadie. ✗ Hago nada. / ✓ No hago nada.
- No staat vóór het werkwoord, niet erachter. Het Nederlandse «niet» komt achter de persoonsvorm of aan het eind. ✗ Vivo no aquí. / ✗ Ana vive aquí no. / ✓ Ana no vive aquí.
- Geen «geen». Het Nederlands kiest tussen «niet» en «geen»; het Spaans gebruikt gewoon no. ✗ Tengo ningún coche (als je gewoon «ik heb geen auto» bedoelt) / ✓ No tengo coche. Ningún is sterker: «geen enkel».
- «Ik ook niet» is tampoco. ✗ Yo también no. / ✓ Yo tampoco. En zet geen no achter een ontkennend woord vooraan: ✗ Nadie no viene. / ✓ Nadie viene.
Voorbeelddialoog
¿Hay algo en la nevera? — Zit er iets in de koelkast?
No, no hay nada. Nadie hace nunca la compra. — Nee, er zit niets in. Niemand doet ooit boodschappen.
Yo nunca tengo tiempo. — Ik heb nooit tijd.
Yo tampoco. Pedimos una pizza, ¿no? — Ik ook niet. Zullen we een pizza bestellen?