De persoonlijke voornaamwoorden
Het Spaans heeft meer onderwerpsvoornaamwoorden dan het Nederlands. Het maakt in het meervoud verschil tussen mannelijk en vrouwelijk, en het heeft twee manieren om iemand aan te spreken.
| Persoon | Enkelvoud | Meervoud |
|---|---|---|
| 1e | yo (ik) | nosotros / nosotras (wij) |
| 2e informeel | tú (jij) | vosotros / vosotras (jullie, Spanje) |
| 2e formeel | usted (u) | ustedes (u, jullie) |
| 3e | él (hij), ella (zij) | ellos / ellas (zij) |
- Nosotras, vosotras en ellas gebruik je alleen voor een groep die volledig uit vrouwen of meisjes bestaat.
- Een gemengde groep krijgt de mannelijke vorm: Ana y Pedro = ellos.
- Tú (jij) heeft een accent; tu zonder accent betekent «jouw». Él (hij) heeft een accent; el is het lidwoord.
- In geschreven Spaans zie je vaak de afkortingen Ud. / Uds.
Tú of usted?
| tú / vosotros | usted / ustedes | |
|---|---|---|
| Tegen wie | vrienden, familie, kinderen, leeftijdgenoten | onbekenden, ouderen, ambtenaren, klanten |
| Werkwoordsvorm | 2e persoon: tú hablas | 3e persoon: usted habla |
Usted is grammaticaal een derde persoon en krijgt dus dezelfde werkwoordsvorm als él en ella:
- ¿Usted es la señora García? — Bent u mevrouw García?
- ¿Tú eres Marta? — Ben jij Marta?
In Spanje is vosotros het gewone meervoud onder vrienden en klinkt ustedes formeel. In Latijns-Amerika bestaat vosotros niet: ustedes is daar het enige meervoud, voor vrienden en vreemden.
- ¿Vosotros venís a la fiesta? — Komen jullie naar het feest? (Spanje, informeel)
- ¿Ustedes vienen a la fiesta? — Komen jullie naar het feest? (Latijns-Amerika)
Het voornaamwoord weglaten
De werkwoordsuitgang zegt al wie er handelt, dus laat je het onderwerp normaal gesproken weg:
- Hablo español. — Ik spreek Spaans.
- Vivimos en Madrid. — We wonen in Madrid.
- ¿Tienes hambre? — Heb je honger?
Zet het voornaamwoord er alleen bij voor contrast, nadruk of als het anders onduidelijk is:
- Yo trabajo y tú descansas. — Ik werk en jij rust uit.
- ¿Quién paga? Yo. — Wie betaalt? Ik.
- Ella es médica, pero él es profesor. — Zij is arts, maar hij is leraar.
Omdat usted, él en ella dezelfde werkwoordsvorm delen, blijft usted vaker staan, uit beleefdheid en voor de duidelijkheid.
Let op als Nederlandstalige
- Het Nederlands heeft altijd een onderwerp, het Spaans niet. Een rij zinnen die elk met yo beginnen klinkt zwaar en zelfs egocentrisch. ✗ Yo me llamo Tom. Yo soy holandés. Yo vivo en Sevilla. / ✓ Me llamo Tom. Soy holandés. Vivo en Sevilla.
- Er is geen «het» of «er» als loos onderwerp. Bij weer en algemene uitspraken staat er helemaal geen onderwerp. ✗ Ello es importante. / ✓ Es importante. — Het is belangrijk. En: ✓ Llueve. — Het regent.
- Geen inversie na een tijdsbepaling. In het Nederlands wisselen onderwerp en persoonsvorm van plaats («Morgen ga ik naar de dokter»). Het Spaans doet dat niet en zet er meestal helemaal geen voornaamwoord bij. ✗ Mañana voy yo al médico. / ✓ Mañana voy al médico. (voy yo bestaat wel, maar betekent «morgen ga IK», met nadruk.)
- Bij usted hoort de derde persoon. Het Nederlandse «u» heeft een eigen vorm, maar usted leent die van él. ✗ ¿Usted eres de aquí? / ✓ ¿Usted es de aquí?
Voorbeelddialoog
Buenos días. ¿Es usted el señor López? — Goedemorgen. Bent u meneer López?
Sí, soy yo. ¿Y usted? — Ja, dat ben ik. En u?
Me llamo Laura. Trabajo en la oficina de al lado. — Ik heet Laura. Ik werk in het kantoor hiernaast.
Encantado. Mi mujer y yo vivimos aquí. — Aangenaam. Mijn vrouw en ik wonen hier.