Elk zelfstandig naamwoord heeft een geslacht
Elk Spaans zelfstandig naamwoord is mannelijk of vrouwelijk, ook als het om een ding of een begrip gaat. Het lidwoord past zich aan in geslacht en getal.
| Mannelijk | Vrouwelijk | |
|---|---|---|
| de/het (enkelvoud) | el libro | la mesa |
| de (meervoud) | los libros | las mesas |
| een | un libro | una mesa |
| een paar | unos libros | unas mesas |
Welk geslacht? De uitgang helpt
| Meestal mannelijk | Meestal vrouwelijk |
|---|---|
| -o: el vaso, el perro | -a: la casa, la silla |
| -or: el color, el ordenador | -ción / -sión: la canción, la televisión |
| -aje: el viaje, el garaje | -dad / -tad: la ciudad, la libertad |
| -ma (Griekse woorden): el problema, el idioma, el tema | -umbre: la costumbre |
Woorden op -e of op een medeklinker kunnen allebei zijn: el coche, la noche, el hotel, la sal. Leer het lidwoord altijd samen met het woord, net zoals je bij Nederlandse woorden de of het meeleert.
Bij mensen volgt het geslacht het geslacht van de persoon: el profesor / la profesora, el chico / la chica. Sommige woorden veranderen alleen van lidwoord: el estudiante / la estudiante.
Veelvoorkomende uitzonderingen
- el día (dag), el mapa (kaart), el sofá (bank), el planeta (planeet): mannelijk ondanks de -a.
- la mano (hand), la foto, la moto, la radio: vrouwelijk ondanks de -o.
El agua: vrouwelijk met el
Vrouwelijke woorden die met een beklemtoonde a- of ha- beginnen, krijgen in het enkelvoud el en un, alleen om twee botsende a-klanken te vermijden. Het woord blijft vrouwelijk:
- El agua está fría. — Het water is koud.
- Tengo un hambre terrible. — Ik heb vreselijke honger.
- Las aguas del río. — Het water van de rivier. (meervoud: weer las)
Zo ook el aula (leslokaal), el águila (adelaar), el arma (wapen). Bij een onbeklemtoonde a gebeurt dit niet: la amiga, la agenda.
De samentrekkingen al en del
A + el wordt al, en de + el wordt del. Met la, los en las gebeurt dat niet.
- Voy al mercado. — Ik ga naar de markt.
- Es la casa del profesor. — Het is het huis van de leraar.
- Vengo de la playa. — Ik kom van het strand.
Het woordje lo is geen lidwoord bij zelfstandige naamwoorden. Het staat voor een bijvoeglijk naamwoord en betekent «het ... e»: Lo bueno es que... — Het goede is dat...
Let op als Nederlandstalige
- De/het voorspelt niets. «Het huis» is la casa, «de tafel» is la mesa, «het probleem» is el problema. Het Nederlandse geslacht en het Spaanse hebben niets met elkaar te maken; leer el of la per woord.
- Laat het lidwoord niet weg bij algemene uitspraken. Het Nederlands zegt «Melk is gezond» en «Ik hou van koffie» zonder lidwoord; het Spaans zet er la of el bij. ✗ Leche es sana. / ✓ La leche es sana. ✗ Me gusta café. / ✓ Me gusta el café.
- Geen lidwoord bij beroepen na ser. Hier doen Nederlands en Spaans hetzelfde: «Ik ben leraar» is ✓ Soy profesor, niet ✗ Soy un profesor. Alleen met een bijvoeglijk naamwoord komt het lidwoord terug: Es un buen profesor.
- De samentrekking is verplicht. ✗ Voy a el banco. / ✓ Voy al banco.
Voorbeelddialoog
¿Dónde está la llave del coche? — Waar is de autosleutel?
Está en la mesa, al lado del agua. — Die ligt op tafel, naast het water.
¿Y el mapa? — En de kaart?
En el sofá, con una foto de Toledo. — Op de bank, met een foto van Toledo.