Langrit Start je gratis proefperiode

← Alle lessen Spaanse grammatica

Ser en estar: twee werkwoorden voor «zijn»

Gratis les Spaanse grammatica · A1

Twee werkwoorden waar het Nederlands er één heeft

Het Nederlands heeft één werkwoord «zijn». Het Spaans splitst dat in ser en estar. Allebei zijn ze onregelmatig in de tegenwoordige tijd.

Persoon ser estar
yo soy estoy
eres estás
él / ella / usted es está
nosotros/-as somos estamos
vosotros/-as (Spanje) sois estáis
ellos / ellas / ustedes son están

Wanneer ser?

Ser zegt wat of wie iets is: identiteit en blijvende eigenschappen.

Gebruik Voorbeeld
identiteit, naam Soy Pablo. — Ik ben Pablo.
herkomst, nationaliteit Somos de Colombia. — We komen uit Colombia.
beroep Mi madre es enfermera. — Mijn moeder is verpleegkundige.
eigenschappen La casa es grande. — Het huis is groot.
materiaal, bezit La mesa es de madera. / El libro es de Ana.
tijd, datum, prijs Son las tres. / Hoy es lunes. / ¿Cuánto es?
waar een evenement plaatsvindt La fiesta es en mi casa. — Het feest is bij mij thuis.

Wanneer estar?

Estar zegt waar iets is of hoe het er nu aan toe is: plaats, toestand en het resultaat van een verandering.

Gebruik Voorbeeld
plaats van mensen en dingen Madrid está en el centro de España.
tijdelijke toestand, gevoel Estoy cansado. / Ana está enferma.
resultaat van een verandering La tienda está cerrada. — De winkel is gesloten.
hoe eten nu smaakt La sopa está muy rica. — De soep smaakt heerlijk.
met bien / mal Estamos bien, gracias.
lopende handeling Estoy comiendo. — Ik ben aan het eten.

Plaats krijgt estar, ook als die plaats voor eeuwig vaststaat: Madrid está en España. Alleen evenementen (een feest, een concert, een vergadering) krijgen ser voor de plek waar ze zijn.

Zelfde bijvoeglijk naamwoord, andere betekenis

Met ser (eigenschap) Met estar (toestand)
Es aburrido. — Hij is saai. Está aburrido. — Hij verveelt zich.
Es listo. — Hij is slim. Está listo. — Hij is klaar.
Es rico. — Hij is rijk. Está rico. — Het smaakt lekker.
Es malo. — Hij is een slecht mens. Está malo. — Hij is ziek. / Het is bedorven.
Es guapa. — Ze is knap. Está guapa. — Ze ziet er vandaag mooi uit.

Sommige blijvende toestanden krijgen toch estar: estar muerto (dood zijn), estar casado (getrouwd zijn).

Let op als Nederlandstalige

  • Eén Nederlands «zijn», twee Spaanse werkwoorden. Kies niet op gevoel, maar vraag je af: «wat of wie is het?» (ser) of «waar of hoe is het nu?» (estar). ✗ Soy cansado. / ✓ Estoy cansado.El baño es a la derecha. / ✓ El baño está a la derecha.
  • Leeftijd gaat met tener, niet met «zijn». Het Nederlands zegt «Ik ben 20 jaar». ✗ Soy 20 años. / ✓ Tengo 20 años. Bij honger en dorst doet het Nederlands trouwens hetzelfde als het Spaans: «Ik heb honger» is ✓ Tengo hambre.
  • Het is koud / ik heb het koud. Het Nederlandse «Het is koud» gaat over het weer en wordt Hace frío; «Ik heb het koud» wordt Tengo frío. ✗ Estoy frío betekent dat je lichaam koud aanvoelt.
  • Saai of verveeld.Soy aburrido als je «ik verveel me» bedoelt / ✓ Estoy aburrido. Met Soy aburrido vertel je mensen dat jij een saai persoon bent.

Voorbeelddialoog

¡Hola, Marta! ¿Cómo estás? — Hoi Marta! Hoe gaat het?
Estoy un poco cansada. ¿Dónde estás tú? — Ik ben een beetje moe. Waar ben jij?
Estoy en el café. Es el café nuevo de la plaza. — Ik ben in het café. Het is het nieuwe café aan het plein.
¡Qué bien! ¿La fiesta de Luis es hoy? — Wat leuk! Is het feest van Luis vandaag?
Sí, es a las nueve en su casa. — Ja, om negen uur bij hem thuis.

Wil je dat het blijft hangen? Doe de interactieve quiz en oefen deze structuur met gespreide herhaling.

Oefen dit onderwerp gratis

Meer Spaanse grammatica