Langrit Start je gratis proefperiode

← Alle lessen Spaanse grammatica

Tegenwoordige tijd: regelmatige werkwoorden op -ar, -er, -ir (presente)

Gratis les Spaanse grammatica · A1

Drie werkwoordgroepen

Spaanse infinitieven eindigen op -ar, -er of -ir. Haal die uitgang eraf en je houdt de stam over (habl-, com-, viv-). Daar plak je de uitgang van de persoon achter.

Persoon hablar (spreken) comer (eten) vivir (wonen)
yo hablo como vivo
hablas comes vives
él / ella / usted habla come vive
nosotros/-as hablamos comemos vivimos
vosotros/-as (Spanje) habláis coméis vivís
ellos / ellas / ustedes hablan comen viven
  • De yo-vorm eindigt in alle drie de groepen op -o.
  • -er en -ir delen alle uitgangen behalve nosotros (-emos / -imos) en vosotros (-éis / -ís).
  • Alleen de vosotros-vormen krijgen een accentteken. Alle andere vormen schrijf je zonder: hablo, comes, viven.

Nog meer regelmatige werkwoorden

-ar -er -ir
trabajar (werken) beber (drinken) escribir (schrijven)
estudiar (studeren) leer (lezen) abrir (openen)
cocinar (koken) aprender (leren) recibir (ontvangen)
tomar (nemen, drinken) comprender (begrijpen) subir (omhooggaan)
necesitar (nodig hebben) vender (verkopen) compartir (delen)

Waar de tegenwoordige tijd voor dient

  • Gewoontes: Trabajo en un hospital. — Ik werk in een ziekenhuis.
  • Feiten: Los españoles cenan tarde. — Spanjaarden eten laat.
  • Wat nu gebeurt: ¿Qué haces? Leo el periódico. — Wat doe je? Ik lees de krant.
  • Nabije toekomst met een tijdswoord: Mañana cocino yo. — Morgen kook ik.
  • Hoelang iets al duurt, met desde hace: Vivo aquí desde hace dos años. — Ik woon hier al twee jaar.

Eén Spaanse vorm dekt «ik spreek», «ik ben aan het spreken» en «ik spreek wel».

Vragen en ontkenningen

Er is geen hulpwerkwoord. Zet no vóór het werkwoord voor een ontkenning, en gebruik intonatie plus ¿ ? voor een vraag:

  • No hablo alemán. — Ik spreek geen Duits.
  • ¿Vives en Barcelona? — Woon je in Barcelona?
  • ¿Comen ustedes aquí? — Eet u hier?

Let op als Nederlandstalige

  • De uitgang draagt de informatie, niet het voornaamwoord. Het Nederlandse rijtje is vlak (ik werk, jij werkt, wij werken) en je leunt op «ik» en «jij». In het Spaans is de uitgang het enige verschil tussen hablo (ik spreek) en habla (hij spreekt). Spreek de laatste klinker duidelijk uit.
  • De -s is geen derde persoon. In het Nederlands hoort de -t bij «jij» en «hij»; in het Spaanse enkelvoud hoort de -s alleen bij . ✗ Ella hablas. / ✓ Ella habla.Mi jefe comes aquí. / ✓ Mi jefe come aquí.
  • Geen «aan het» in het Spaans. «Ik ben aan het lezen» kan gewoon Leo zijn. De vorm estoy leyendo bestaat ook en benadrukt dat het op dit moment bezig is.
  • «Al twee jaar» is gelijk aan het Nederlands, niet aan het Engels. Net als «Ik woon hier al twee jaar» blijft het Spaans in de tegenwoordige tijd: ✓ Vivo aquí desde hace dos años. Vertaal «sinds twee jaar» niet letterlijk: ✗ Vivo aquí desde dos años.

Voorbeelddialoog

¿Dónde trabajas? — Waar werk je?
Trabajo en una escuela. Enseño inglés. — Ik werk op een school. Ik geef Engels.
¿Y vives cerca? — En woon je in de buurt?
Sí, vivo en la calle Mayor. Normalmente como en casa. — Ja, ik woon in de Calle Mayor. Meestal eet ik thuis.

Wil je dat het blijft hangen? Doe de interactieve quiz en oefen deze structuur met gespreide herhaling.

Oefen dit onderwerp gratis

Meer Spaanse grammatica