Juist de vaakst gebruikte werkwoorden zijn onregelmatig
De werkwoorden die je het vaakst nodig hebt, volgen het vaste patroon niet. Veel ervan zijn alleen in de yo-vorm onregelmatig; een paar veranderen in meer personen.
Alleen onregelmatig in de yo-vorm
| Infinitief | yo | rest van het rijtje (regelmatig) |
|---|---|---|
| hacer (doen, maken) | hago | haces, hace, hacemos, hacéis, hacen |
| poner (zetten, leggen) | pongo | pones, pone, ponemos, ponéis, ponen |
| salir (uitgaan, vertrekken) | salgo | sales, sale, salimos, salís, salen |
| saber (weten) | sé | sabes, sabe, sabemos, sabéis, saben |
| conocer (kennen) | conozco | conoces, conoce, conocemos, conocéis, conocen |
| ver (zien) | veo | ves, ve, vemos, veis, ven |
| dar (geven) | doy | das, da, damos, dais, dan |
Sé (ik weet) krijgt een accent om het te onderscheiden van het voornaamwoord se.
Onregelmatig in meer personen
| Persoon | tener (hebben) | venir (komen) | decir (zeggen) | ir (gaan) |
|---|---|---|---|---|
| yo | tengo | vengo | digo | voy |
| tú | tienes | vienes | dices | vas |
| él / ella / usted | tiene | viene | dice | va |
| nosotros/-as | tenemos | venimos | decimos | vamos |
| vosotros/-as (Spanje) | tenéis | venís | decís | vais |
| ellos / ellas / ustedes | tienen | vienen | dicen | van |
Na ir komt bijna altijd a vóór een plaats: Voy a la playa.
Saber of conocer?
Hier heb je geluk: het onderscheid is precies het Nederlandse verschil tussen weten en kennen.
- saber = weten, en ook kunnen in de zin van «geleerd hebben» (+ infinitief).
- No sé dónde vive. — Ik weet niet waar hij woont.
- Sé nadar. — Ik kan zwemmen.
- conocer = kennen, bekend zijn met.
- Conozco a tu hermano. — Ik ken je broer.
- ¿Conoces Sevilla? — Ken je Sevilla?
Nuttige uitdrukkingen
| Uitdrukking | Betekenis |
|---|---|
| tener hambre / sed / frío / calor | honger, dorst hebben; het koud, warm hebben |
| tener ... años | ... jaar oud zijn |
| tener que + infinitief | moeten |
| hace frío / calor / sol | het is koud, warm, zonnig |
| hacer una pregunta | een vraag stellen |
| dar un paseo | een wandeling maken |
- Tengo que trabajar mañana. — Ik moet morgen werken.
- Hoy hace mucho calor. — Het is vandaag erg warm.
Let op als Nederlandstalige
- Het weer gaat met hacer. Het Nederlands zegt «Het is koud». ✗ Es frío hoy. / ✓ Hace frío hoy.
- «Ik kan zwemmen» is sé, niet puedo. Het Nederlandse «kunnen» dekt zowel een geleerde vaardigheid als een mogelijkheid; het Spaans splitst dat. ✗ Puedo nadar als je bedoelt dat je het geleerd hebt / ✓ Sé nadar. Gebruik puedo alleen voor «ik heb de gelegenheid»: Hoy no puedo nadar, no tengo tiempo.
- Een vraag stel je met hacer. Het Nederlandse «stellen» vertaal je hier niet letterlijk. ✗ preguntar una pregunta / ✗ poner una pregunta / ✓ hacer una pregunta.
- Weten en kennen lopen wél gelijk. Saber = weten, conocer = kennen; daar kun je op je Nederlandse gevoel afgaan. De enige valkuil is dat conocer bij personen een a nodig heeft: ✓ Conozco a Ana.
Voorbeelddialoog
¿Qué haces esta noche? — Wat doe je vanavond?
Salgo con unos amigos. Vamos al cine. ¿Vienes? — Ik ga uit met wat vrienden. We gaan naar de bioscoop. Kom je mee?
No puedo, tengo que estudiar. — Ik kan niet, ik moet studeren.
¡Qué pena! Mañana te digo qué tal. — Jammer! Morgen vertel ik je hoe het was.