Langrit Start je gratis proefperiode

← Alle lessen Spaanse grammatica

Tegenwoordige tijd: veelgebruikte onregelmatige werkwoorden (verbos irregulares)

Gratis les Spaanse grammatica · A1

Juist de vaakst gebruikte werkwoorden zijn onregelmatig

De werkwoorden die je het vaakst nodig hebt, volgen het vaste patroon niet. Veel ervan zijn alleen in de yo-vorm onregelmatig; een paar veranderen in meer personen.

Alleen onregelmatig in de yo-vorm

Infinitief yo rest van het rijtje (regelmatig)
hacer (doen, maken) hago haces, hace, hacemos, hacéis, hacen
poner (zetten, leggen) pongo pones, pone, ponemos, ponéis, ponen
salir (uitgaan, vertrekken) salgo sales, sale, salimos, salís, salen
saber (weten) sabes, sabe, sabemos, sabéis, saben
conocer (kennen) conozco conoces, conoce, conocemos, conocéis, conocen
ver (zien) veo ves, ve, vemos, veis, ven
dar (geven) doy das, da, damos, dais, dan

(ik weet) krijgt een accent om het te onderscheiden van het voornaamwoord se.

Onregelmatig in meer personen

Persoon tener (hebben) venir (komen) decir (zeggen) ir (gaan)
yo tengo vengo digo voy
tienes vienes dices vas
él / ella / usted tiene viene dice va
nosotros/-as tenemos venimos decimos vamos
vosotros/-as (Spanje) tenéis venís decís vais
ellos / ellas / ustedes tienen vienen dicen van

Na ir komt bijna altijd a vóór een plaats: Voy a la playa.

Saber of conocer?

Hier heb je geluk: het onderscheid is precies het Nederlandse verschil tussen weten en kennen.

  • saber = weten, en ook kunnen in de zin van «geleerd hebben» (+ infinitief).
    • No dónde vive. — Ik weet niet waar hij woont.
    • nadar. — Ik kan zwemmen.
  • conocer = kennen, bekend zijn met.
    • Conozco a tu hermano. — Ik ken je broer.
    • ¿Conoces Sevilla? — Ken je Sevilla?

Nuttige uitdrukkingen

Uitdrukking Betekenis
tener hambre / sed / frío / calor honger, dorst hebben; het koud, warm hebben
tener ... años ... jaar oud zijn
tener que + infinitief moeten
hace frío / calor / sol het is koud, warm, zonnig
hacer una pregunta een vraag stellen
dar un paseo een wandeling maken
  • Tengo que trabajar mañana. — Ik moet morgen werken.
  • Hoy hace mucho calor. — Het is vandaag erg warm.

Let op als Nederlandstalige

  • Het weer gaat met hacer. Het Nederlands zegt «Het is koud». ✗ Es frío hoy. / ✓ Hace frío hoy.
  • «Ik kan zwemmen» is , niet puedo. Het Nederlandse «kunnen» dekt zowel een geleerde vaardigheid als een mogelijkheid; het Spaans splitst dat. ✗ Puedo nadar als je bedoelt dat je het geleerd hebt / ✓ nadar. Gebruik puedo alleen voor «ik heb de gelegenheid»: Hoy no puedo nadar, no tengo tiempo.
  • Een vraag stel je met hacer. Het Nederlandse «stellen» vertaal je hier niet letterlijk. ✗ preguntar una pregunta / ✗ poner una pregunta / ✓ hacer una pregunta.
  • Weten en kennen lopen wél gelijk. Saber = weten, conocer = kennen; daar kun je op je Nederlandse gevoel afgaan. De enige valkuil is dat conocer bij personen een a nodig heeft: ✓ Conozco a Ana.

Voorbeelddialoog

¿Qué haces esta noche? — Wat doe je vanavond?
Salgo con unos amigos. Vamos al cine. ¿Vienes? — Ik ga uit met wat vrienden. We gaan naar de bioscoop. Kom je mee?
No puedo, tengo que estudiar. — Ik kan niet, ik moet studeren.
¡Qué pena! Mañana te digo qué tal. — Jammer! Morgen vertel ik je hoe het was.

Wil je dat het blijft hangen? Doe de interactieve quiz en oefen deze structuur met gespreide herhaling.

Oefen dit onderwerp gratis

Meer Spaanse grammatica