Eén rij uitgangen voor alle werkwoorden
De futuro simple is de makkelijkste tijd om te bouwen: neem de hele infinitief en plak de uitgang erachter. Er is geen apart hulpwerkwoord zoals «zullen».
| Persoon | Uitgang | hablar | comer | vivir |
|---|---|---|---|---|
| yo | -é | hablaré | comeré | viviré |
| tú | -ás | hablarás | comerás | vivirás |
| él / ella / usted | -á | hablará | comerá | vivirá |
| nosotros/-as | -emos | hablaremos | comeremos | viviremos |
| vosotros/-as (Spanje) | -éis | hablaréis | comeréis | viviréis |
| ellos / ellas / ustedes | -án | hablarán | comerán | vivirán |
Alle vormen hebben een accent, behalve nosotros: hablaremos.
Onregelmatige stammen
Een aantal veelgebruikte werkwoorden verkort de infinitief. De uitgangen blijven gelijk.
| Werkwoord | Stam | Voorbeeld | Werkwoord | Stam | Voorbeeld |
|---|---|---|---|---|---|
| tener | tendr- | tendré | hacer | har- | haré |
| poner | pondr- | pondré | decir | dir- | diré |
| salir | saldr- | saldré | poder | podr- | podré |
| venir | vendr- | vendré | saber | sabr- | sabré |
| querer | querr- | querré | haber | habr- | habrá |
- Mañana tendremos más información. — Morgen hebben we meer informatie.
- Habrá mucha gente en la fiesta. — Er zullen veel mensen op het feest zijn.
Waarvoor gebruik je hem?
| Gebruik | Voorbeeld |
|---|---|
| een toekomstig feit | El año que viene viviremos en Chile. — Volgend jaar wonen we in Chili. |
| een voorspelling | Lloverá el fin de semana. — Het gaat dit weekend regenen. |
| een belofte | Te lo devolveré el lunes. — Ik geef het je maandag terug. |
| een vermoeden over nu | ¿Qué hora es? Serán las diez. — Hoe laat is het? Het zal wel tien uur zijn. |
In de spreektaal is ir a + infinitief gebruikelijker voor plannen: Mañana voy a llamarte in plaats van te llamaré. Allebei zijn correct.
Na cuando: de subjuntivo
In een bijzin met cuando over de toekomst staat nooit de toekomende tijd, maar de subjuntivo.
- Cuando llegue a casa, te llamo. — Als ik thuiskom, bel ik je.
- Te lo diré en cuanto lo sepa. — Ik zeg het je zodra ik het weet.
Hetzelfde geldt na en cuanto, hasta que en antes de que.
Let op als Nederlandstalige
- «Als ik thuiskom» is geen gewone tegenwoordige tijd. Het Nederlands gebruikt hier de tegenwoordige tijd; het Spaans vraagt de subjuntivo. ✗ Cuando llego a casa mañana, te llamo. / ✗ Cuando llegaré a casa, te llamo. / ✓ Cuando llegue a casa, te llamo. (Cuando llego a casa betekent «telkens als ik thuiskom».)
- Geen «zullen». Het Spaans heeft geen los hulpwerkwoord; de uitgang doet het werk. ✗ Yo voy hacer / ✗ Yo haceré / ✓ Yo haré.
- Het vermoeden werkt net als «zal wel». Hier lijken de talen op elkaar: «Hij zal wel ziek zijn» is ✓ Estará enfermo. Het verschil: het Spaans laat «wel» weg, de toekomende tijd alleen is genoeg.
- Accenten niet vergeten. hablará (hij zal spreken) is iets anders dan hablara (een subjuntivo-vorm).
Voorbeelddialoog
¿Vendrás a la reunión del jueves? — Kom je donderdag naar de vergadering?
Sí, pero llegaré un poco tarde. — Ja, maar ik ben iets later.
No pasa nada. Empezaremos sin ti. — Geeft niks. We beginnen zonder jou.
¿Estará también el director? — Zal de directeur er ook zijn?
Supongo que sí. Te escribo en cuanto lo sepa. — Ik denk het wel. Ik laat het je weten zodra ik het weet.