Duitse grammatica, eenvoudig uitgelegd
Gratis korte lessen Duitse grammatica: lidwoorden, woordvolgorde, werkwoorden en meer. Lees de les en oefen hem daarna met gespreide herhaling in Langrit.
- Persoonlijke voornaamwoorden en het beleefde Sie (Personalpronomen) A1 · Waar ze voor staan Een persoonlijk voornaamwoord vervangt de persoon of de zaak die iets doet. Het Duits heeft
- Woordgeslacht en lidwoorden (der, die, das, ein, eine) A1 · Drie geslachten in plaats van twee Het Nederlands heeft er in de praktijk twee, «de» en «het». Het Duits heeft
- De werkwoorden sein en haben (zijn en hebben) A1 · Twee onregelmatige basiswerkwoorden sein (zijn) en haben (hebben) zijn de meest gebruikte werkwoorden van het
- Tegenwoordige tijd: regelmatige werkwoorden (Präsens) A1 · Stam plus uitgang Haal en (of n) van de infinitief af en je hebt de stam. Daar komt per persoon een uitgang ac
- Tegenwoordige tijd: klinkerwisseling in de stam A1 · Dezelfde uitgangen, een andere klinker Een groep veelgebruikte werkwoorden verandert de klinker van de stam, m
- Ontkenning: nicht en kein A1 · Twee woorden, net als niet en geen Het Duits ontkent met kein of nicht, en die verdeling valt bijna precies sa
- Vraagzinnen en vraagwoorden (W-Fragen, Ja/Nein-Fragen) A1 · Twee soorten vragen Het Duits maakt een vraag door het vervoegde werkwoord te verplaatsen, precies zoals het N
- Het werkwoord op de tweede plaats (Verbzweitstellung) A1 · Plaats 2 is vast In een Duitse hoofdzin staat het vervoegde werkwoord op de tweede plaats. Op plaats 1 kan het
- Het meervoud (Plural) A1 · Veel uitgangen, één lidwoord Het Nederlands heeft in de praktijk twee meervoudsuitgangen, en en s. Het Duits h
- De vierde naamval (Akkusativ) A1 · Onderwerp en lijdend voorwerp Het Duits laat met het lidwoord zien welke rol een woord in de zin speelt. Het o
- Bezittelijke voornaamwoorden (Possessivartikel) A1 · Twee beslissingen Een bezittelijk voornaamwoord (mein, dein, ...) beantwoordt twee vragen: 1. Wie is de eigena
- Getallen, datum en klokkijken (Zahlen, Datum, Uhrzeit) A1 · Getallen Getal Duits Getal Duits 1 eins 13 dreizehn 2 zwei 16 sechzehn 3 drei 17 siebzehn 6 sechs 20 zwanzig 7
- Modale werkwoorden (Modalverben) A1 · Wat ze doen Modale werkwoorden voegen aan een ander werkwoord iets toe over kunnen, moeten, mogen of willen. H
- Scheidbare werkwoorden (trennbare Verben) A1 · Voorvoegsel plus werkwoord Veel Duitse werkwoorden bestaan uit een voorvoegsel en een basiswerkwoord: auf + st
- De gebiedende wijs (Imperativ) A1 · Drie vormen in plaats van één Het Nederlands heeft in de praktijk één gebiedende wijs: «Kom!» zeg je tegen één
- Nevenschikkende voegwoorden (und, aber, oder, denn, sondern) A1 · Plaats 0 Deze vijf voegwoorden verbinden twee hoofdzinnen zonder de woordvolgorde te veranderen. Ze staan op «
- De derde naamval (Dativ) A2 · Het meewerkend voorwerp Bij werkwoorden als geben, schenken, zeigen, schicken of erklären is er vaak iemand di
- Voorzetsels met de vierde of de derde naamval A2 · Elk voorzetsel bepaalt zijn naamval In het Duits staat het woord na een voorzetsel in een bepaalde naamval. Bi
- Voorzetsels met twee naamvallen (Wechselpräpositionen) A2 · Negen voorzetsels, twee naamvallen De voorzetsels an, auf, hinter, in, neben, über, unter, vor, zwischen kunne
- De voltooid tegenwoordige tijd (Perfekt) A2 · De gewone verleden tijd in de spreektaal In gesproken Duits is het Perfekt de normale manier om over het verle
- De onvoltooid verleden tijd (Präteritum) van veelgebruikte werkwoorden A2 · Twee verleden tijden, elk met een eigen rol Het Duits heeft twee verleden tijden met bijna dezelfde betekenis.
- Wederkerende werkwoorden (reflexive Verben) A2 · Wat een wederkerend werkwoord is Een wederkerend werkwoord heeft een voornaamwoord dat terugwijst naar het ond
- Bijzinnen (weil, dass, wenn, ob) A2 · Het werkwoord gaat naar het eind Een bijzin (Nebensatz) begint met een onderschikkend voegwoord en stuurt het
- Uitgangen van het bijvoeglijk naamwoord (Adjektivendungen) A2 · Alleen vóór een zelfstandig naamwoord Een bijvoeglijk naamwoord krijgt alleen een uitgang als het vóór een zel
- Vergrotende en overtreffende trap (Komparativ und Superlativ) A2 · Eén uitgang voor elk bijvoeglijk naamwoord Het Duits kent geen constructie met mehr. Elk bijvoeglijk naamwoord
- Over de toekomst praten (Futur I) B1 · De tegenwoordige tijd is de gewone toekomst Voor plannen en afspraken gebruikt het Duits de tegenwoordige tijd
- De infinitief met zu en um ... zu B1 · zu + infinitief aan het eind Veel werkwoorden en uitdrukkingen krijgen een tweede werkwoord in de vorm zu + in
- Betrekkelijke bijzinnen (Relativsätze) B1 · Twee vragen bepalen het voornaamwoord Een betrekkelijke bijzin beschrijft een zelfstandig naamwoord. Hij begin
- Konjunktiv II: würde, hätte, wäre en wensen B1 · Waarvoor je hem gebruikt Konjunktiv II dekt alles wat niet echt is: beleefde verzoeken, wensen, adviezen en vo
- De lijdende vorm (Passiv) B1 · Waarvoor de lijdende vorm dient De lijdende vorm zet de handeling op de voorgrond en laat de dader weg. Je kom
- De tweede naamval (Genitiv) B1 · Wat van wie is De tweede naamval antwoordt op wessen? (van wie?) en verbindt twee zelfstandige naamwoorden: da
- Werkwoorden met een vast voorzetsel (Verben mit Präposition) B2 · Eén geheel: werkwoord + voorzetsel + naamval Veel Duitse werkwoorden horen bij één bepaald voorzetsel, en dat
- Voornaamwoordelijke bijwoorden met da- en wo- B2 · Dingen krijgen da, personen een voornaamwoord Na een werkwoord met een vast voorzetsel kun je over een ding ni
- Indirecte rede (Konjunktiv I) B2 · Indirecte rede in gewone taal In een gesprek geeft het Duits weer wat iemand gezegd heeft met de gewone aanton
Bij elke les hoort een interactieve quiz en oefening met gespreide herhaling.
Start je gratis proefperiode