Langrit Start je gratis proefperiode

← Alle lessen Duitse grammatica

Vraagzinnen en vraagwoorden (W-Fragen, Ja/Nein-Fragen)

Gratis les Duitse grammatica · A1

Twee soorten vragen

Het Duits maakt een vraag door het vervoegde werkwoord te verplaatsen, precies zoals het Nederlands. Er komt geen hulpwerkwoord bij.

Soort Plaats 1 Plaats 2 Rest
vraagwoordvraag Wo wohnst du?
vraagwoordvraag Was machen Sie beruflich?
ja/nee-vraag Wohnst du in Köln?
ja/nee-vraag Haben Sie einen Termin?
  • Vraagwoordvraag: vraagwoord eerst, werkwoord tweede, dan het onderwerp.
  • Ja/nee-vraag: werkwoord eerst, dan het onderwerp. De stem gaat aan het eind omhoog.

De vraagwoorden

Woord Nederlands Voorbeeld
wer wie Wer ist das? — Wie is dat?
was wat Was kostet das? — Wat kost dat?
wo waar Wo ist der Bahnhof? — Waar is het station?
woher waarvandaan Woher kommen Sie? — Waar komt u vandaan?
wohin waarheen Wohin fährt der Zug? — Waar gaat de trein heen?
wann wanneer Wann beginnt der Kurs? — Wanneer begint de cursus?
wie hoe Wie heißt du? — Hoe heet je?
warum waarom Warum lernst du Deutsch? — Waarom leer je Duits?
welcher / welche / welches welke, welk Welche Linie fährt zum Zentrum? — Welke lijn gaat naar het centrum?

Let goed op het drietal wer (wie), wie (hoe) en wo (waar). De klanken liggen anders dan in het Nederlands en dat levert de meeste fouten op.

wie gaat samen met andere woorden: wie alt (hoe oud), wie lange (hoe lang), wie viel (hoeveel), wie viele (hoeveel, telbaar), wie spät (hoe laat).

welch- krijgt de uitgang van der, die, das

  • Welcher Bus? (der Bus) — Welke bus?
  • Welche Straße? (die Straße) — Welke straat?
  • Welches Gleis? (das Gleis) — Welk spoor?
  • Welche Schuhe? (meervoud) — Welke schoenen?

Het Nederlands kent maar twee vormen, «welke» en «welk». Het Duits heeft er in de eerste naamval drie, plus nog de naamvalsvormen (welchen Bus nimmst du?).

Korte antwoorden

  • Kommst du mit? Ja. / Nein. — Ga je mee? Ja. / Nee.
  • Wo wohnst du? In Bremen. — Waar woon je? In Bremen.

In een hele zin gaat het werkwoord terug naar plaats 2: Ich wohne in Bremen.

Let op als Nederlandstalige

  • wer betekent «wie» en wie betekent «hoe». De Nederlandse vorm «wie» leidt je hier de verkeerde kant op: ✗ Wie ist das? (bedoeld als «Wie is dat?») / ✓ Wer ist das?
  • Bij beweging gebruik je wohin, niet wo: ✗ Wo gehst du? / ✓ Wohin gehst du? (in de spreektaal ook Wo gehst du hin?)
  • welch- verbuigt naar geslacht: ✗ Welche Buch liest du? / ✓ Welches Buch liest du?
  • De vraagvorming zelf werkt als in het Nederlands, maar de -st van du blijft staan waar het Nederlands de -t laat vallen: ✗ Wohn du hier? / ✓ Wohnst du hier?

Voorbeelddialoog

Entschuldigung, wann fährt der nächste Zug nach Hannover? — Pardon, wanneer gaat de volgende trein naar Hannover?
Um 14:10 Uhr. — Om 14.10 uur.
Von welchem Gleis? — Van welk spoor?
Von Gleis 7. — Van spoor 7.
Muss ich umsteigen? — Moet ik overstappen?
Nein, der Zug fährt direkt. — Nee, de trein gaat rechtstreeks.

Wil je dat het blijft hangen? Doe de interactieve quiz en oefen deze structuur met gespreide herhaling.

Oefen dit onderwerp gratis

Meer Duitse grammatica