Langrit Start je gratis proefperiode

← Alle lessen Duitse grammatica

Ontkenning: nicht en kein

Gratis les Duitse grammatica · A1

Twee woorden, net als niet en geen

Het Duits ontkent met kein of nicht, en die verdeling valt bijna precies samen met het Nederlandse paar «geen» en «niet».

  • kein ontkent een zelfstandig naamwoord dat ein of geen lidwoord zou krijgen: ein Autokein Auto, Zeitkeine Zeit.
  • nicht ontkent al het andere: werkwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, bijwoorden, namen, en zelfstandige naamwoorden met der/die/das of mein/dein.

kein krijgt de uitgangen van ein

Mannelijk Vrouwelijk Onzijdig Meervoud
Nominatief kein Tisch keine Lampe kein Bett keine Stühle
Accusatief keinen Tisch keine Lampe kein Bett keine Stühle
Datief keinem Tisch keiner Lampe keinem Bett keinen Stühlen

Hier zit het echte werk: «geen» blijft in het Nederlands altijd hetzelfde, kein niet.

  • Das ist kein Problem. — Dat is geen probleem.
  • Ich habe keinen Führerschein. — Ik heb geen rijbewijs.
  • Wir haben keine Milch mehr. — We hebben geen melk meer.

Waar nicht staat

nicht ontkent Plaats Voorbeeld
de hele zin aan het eind Ich verstehe dich nicht. — Ik begrijp je niet.
bij een tweede werkwoorddeel ervoor Ich kann heute nicht kommen. — Ik kan vandaag niet komen.
een bijvoeglijk naamwoord ervoor Die Wohnung ist nicht teuer. — Het appartement is niet duur.
een plaats of richting ervoor Er wohnt nicht in Berlin. — Hij woont niet in Berlijn.
een bepaald zelfstandig naamwoord aan het eind Ich kenne den Mann nicht. — Ik ken die man niet.
één element in een tegenstelling voor dat element Ich trinke nicht Kaffee, sondern Tee. — Ik drink geen koffie, maar thee.

Deze volgorde komt sterk overeen met de plaats van «niet» in het Nederlands, dus je gevoel klopt hier meestal.

Antwoorden op een ontkennende vraag: doch

Wil je een ontkennende vraag tegenspreken, dan zeg je doch, niet ja. Het Nederlands heeft daar «jawel» of «toch wel» voor.

  • Hast du keinen Hunger? Doch, ich habe Hunger. — Heb je geen honger? Jawel, ik heb honger.
  • Kommst du nicht mit? Doch, ich komme mit. — Ga je niet mee? Jawel, ik ga mee.
  • Kommst du nicht mit? Nein, ich komme nicht mit. — Ga je niet mee? Nee, ik ga niet mee.

Let op als Nederlandstalige

  • De verdeling niet/geen mag je overnemen, maar kein verbuigt: ✗ Ich habe kein Hund. / ✓ Ich habe keinen Hund.
  • Na een voorzetsel of in de derde naamval gaat die verbuiging door: ✗ In keine Stadt ist es so teuer wie hier. / ✓ In keiner Stadt ist es so teuer wie hier.
  • «Jawel» is doch, nooit ja: ✗ Hast du keine Zeit? Ja, ich habe Zeit. / ✓ Doch, ich habe Zeit.
  • nie betekent «nooit», niet «niet» zoals in de Nederlandse spreektaal: ✗ Ich verstehe das nie. (bedoeld als «Ik snap het nie») / ✓ Ich verstehe das nicht.

Voorbeelddialoog

Kommst du heute Abend nicht zur Party? — Kom je vanavond niet naar het feest?
Doch, aber ich habe kein Geschenk. — Jawel, maar ik heb geen cadeau.
Das ist kein Problem. Anna kennt dich nicht, sie erwartet nichts. — Dat is geen probleem. Anna kent je niet, zij verwacht niets.
Gut. Ich bleibe aber nicht lange. — Goed. Ik blijf alleen niet lang.

Wil je dat het blijft hangen? Doe de interactieve quiz en oefen deze structuur met gespreide herhaling.

Oefen dit onderwerp gratis

Meer Duitse grammatica