Langrit Start je gratis proefperiode

← Alle lessen Duitse grammatica

Het werkwoord op de tweede plaats (Verbzweitstellung)

Gratis les Duitse grammatica · A1

Plaats 2 is vast

In een Duitse hoofdzin staat het vervoegde werkwoord op de tweede plaats. Op plaats 1 kan het onderwerp staan, maar ook een tijdsbepaling, een plaats of een lijdend voorwerp. Staat daar iets anders dan het onderwerp, dan schuift het onderwerp achter het werkwoord. Dat is precies dezelfde regel als in het Nederlands.

Plaats 1 Plaats 2 (werkwoord) Onderwerp Rest
Ich fahre morgen nach Berlin.
Morgen fahre ich nach Berlin.
Nach Berlin fahre ich morgen.
Am Montag hat mein Sohn Geburtstag.
Leider habe ich keine Zeit.

Plaats 1 is één element, niet één woord: Am nächsten Montag telt als één blok.

De werkwoordtang (Satzklammer)

Heeft het werkwoord twee delen, dan blijft het vervoegde deel op plaats 2 en gaat het andere deel naar het einde. Alles wat erbij hoort staat ertussen. Ook dit ken je uit het Nederlands.

Plaats 1 Werkwoord 1 Middenveld Werkwoord 2 (eind)
Ich muss heute lange arbeiten.
Wir haben gestern einen Film gesehen.
Heute rufe ich meine Mutter an.

Volgorde in het middenveld: Te-Ka-Mo-Lo

Komen er meerdere bepalingen achter het werkwoord, dan is de gebruikelijke volgorde temporal (wanneer), kausal (waarom), modal (hoe), lokal (waar).

  • Ich fahre morgen wegen der Arbeit mit dem Zug nach Hamburg. — Ik ga morgen vanwege mijn werk met de trein naar Hamburg.
  • Sie geht jeden Tag zu Fuß zur Schule. — Zij gaat elke dag lopend naar school.

De kernregel is: tijd voor plaats. Korte voornaamwoorden komen vroeg in het middenveld.

Wat niet meetelt

und, aber, oder, denn en sondern staan vóór plaats 1 en veranderen niets: Ich bin müde, aber ich muss noch kochen. Ook ja en nein met een komma erachter staan buiten de telling: Ja, ich komme mit.

Let op als Nederlandstalige

  • De V2-regel en de inversie erna werken hetzelfde als in het Nederlands, dus Heute gehe ich ins Kino voelt meteen goed. Hier hoef je niets af te leren.
  • Het echte verschil zit aan het eind: het Nederlands mag een voorzetselgroep achter het voltooid deelwoord zetten, het Duits niet: ✗ Ich habe gegessen in der Stadt. / ✓ Ich habe in der Stadt gegessen.
  • Staat het lijdend voorwerp vooraan, dan verklapt de naamval wie wat doet, niet de volgorde: Den Kuchen isst der Junge. betekent «De jongen eet de taart op», niet dat de taart iets eet.
  • Het tweede werkwoorddeel staat écht helemaal achteraan, ook als de zin lang wordt: ✗ Ich habe gekauft ein neues Auto. / ✓ Ich habe ein neues Auto gekauft.

Voorbeelddialoog

Was machst du am Wochenende? — Wat doe je dit weekend?
Am Samstag besuche ich meine Eltern in Dresden. — Zaterdag ga ik bij mijn ouders in Dresden langs.
Und am Sonntag? — En zondag?
Am Sonntag muss ich leider für die Prüfung lernen. — Zondag moet ik helaas voor het examen leren.

Wil je dat het blijft hangen? Doe de interactieve quiz en oefen deze structuur met gespreide herhaling.

Oefen dit onderwerp gratis

Meer Duitse grammatica