Langrit Start je gratis proefperiode

← Alle lessen Duitse grammatica

De vierde naamval (Akkusativ)

Gratis les Duitse grammatica · A1

Onderwerp en lijdend voorwerp

Het Duits laat met het lidwoord zien welke rol een woord in de zin speelt. Het onderwerp staat in de eerste naamval (Nominativ), het lijdend voorwerp in de vierde naamval (Akkusativ). Het Nederlands is die uitgangen kwijtgeraakt en heeft er alleen nog fossielen van over, zoals «op den duur». In het Duits leven ze gewoon.

  • Der Mann kauft den Apfel. — De man koopt de appel.
  • Den Apfel kauft der Mann. — De man koopt de appel. (lijdend voorwerp vooraan, voor de nadruk)

Beide zinnen betekenen hetzelfde. Niet de volgorde, maar het lidwoord laat zien wie wat koopt. Vraag Wer? voor het onderwerp en Wen? of Was? voor het lijdend voorwerp.

Alleen het mannelijke verandert

Mannelijk Vrouwelijk Onzijdig Meervoud
Nominatief der / ein / kein die / eine / keine das / ein / kein die / – / keine
Accusatief den / einen / keinen die / eine / keine das / ein / kein die / – / keine

Vrouwelijk, onzijdig en meervoud blijven gelijk. De enige nieuwe vormen zijn dus den, einen, keinen (en later meinen, deinen).

  • Ich brauche einen Stift. — Ik heb een pen nodig.
  • Wir suchen eine Wohnung. — We zoeken een appartement.
  • Hast du ein Handy? — Heb je een mobiele telefoon?
  • Er hat keinen Termin. — Hij heeft geen afspraak.

Werkwoorden met een lijdend voorwerp

haben, brauchen, kaufen, suchen, sehen, nehmen, essen, trinken, besuchen, kennen, lieben, bestellen, möchten

  • Ich nehme den Salat. — Ik neem de salade.
  • Kennst du den Nachbarn? — Ken je de buurman?

Een kleine groep mannelijke woorden krijgt in de vierde naamval ook nog -n of -en: den Nachbarn, den Kollegen, den Jungen, den Menschen, den Studenten.

es gibt + vierde naamval

es gibt betekent «er is» of «er zijn» en krijgt altijd de vierde naamval. Het blijft enkelvoud, ook als er meerdere dingen zijn:

  • In der Stadt gibt es einen Park. — Er is een park in de stad.
  • In Berlin gibt es viele Parks. — Er zijn veel parken in Berlijn.
  • Hier gibt es keinen Supermarkt. — Hier is geen supermarkt.

Persoonlijke voornaamwoorden

Nominatief ich du er sie es wir ihr sie / Sie
Accusatief mich dich ihn sie es uns euch sie / Sie
  • Ich sehe dich morgen. — Ik zie je morgen.
  • Der Kuchen ist lecker. Ich esse ihn gern. — De taart is lekker. Ik eet hem graag.

Let op als Nederlandstalige

  • Het Nederlands heeft de naamvalsuitgang op het lidwoord verloren, het Duits niet: ✗ Ich habe ein Hund. / ✓ Ich habe einen Hund.
  • «Er is» en «er zijn» worden allebei es gibt, altijd in het enkelvoud. Vertaal «er zijn» dus niet woord voor woord: ✗ In Berlin sind es viele Parks. / ✓ In Berlin gibt es viele Parks.
  • Een mannelijk ding wordt als lijdend voorwerp ihn, niet es: ✗ Der Pullover ist schön. Ich kaufe es. / ✓ Ich kaufe ihn.
  • Na sein komt nooit een vierde naamval: ✗ Das ist einen Hund. / ✓ Das ist ein Hund.

Voorbeelddialoog

Guten Tag, was möchten Sie? — Goedendag, wat wilt u?
Ich nehme einen Kaffee und ein Stück Kuchen. — Ik neem een koffie en een stuk taart.
Wir haben heute leider keinen Apfelkuchen. — We hebben vandaag helaas geen appeltaart.
Dann nehme ich den Käsekuchen. — Dan neem ik de kwarktaart.

Wil je dat het blijft hangen? Doe de interactieve quiz en oefen deze structuur met gespreide herhaling.

Oefen dit onderwerp gratis

Meer Duitse grammatica