Getallen
| Getal | Duits | Getal | Duits |
|---|---|---|---|
| 1 | eins | 13 | dreizehn |
| 2 | zwei | 16 | sechzehn |
| 3 | drei | 17 | siebzehn |
| 6 | sechs | 20 | zwanzig |
| 7 | sieben | 30 | dreißig |
| 10 | zehn | 60 | sechzig |
| 11 | elf | 70 | siebzig |
| 12 | zwölf | 100 | hundert |
Let op de korte vormen: sechzehn en sechzig verliezen de s, siebzehn en siebzig de en.
Van 21 tot 99 komen de eenheden eerst, verbonden met und, alles aan elkaar geschreven. Dat werkt net als in het Nederlands:
- 21 einundzwanzig — eenentwintig
- 47 siebenundvierzig — zevenenveertig
- 99 neunundneunzig — negenennegentig
- 358 dreihundertachtundfünfzig
- 2026 zweitausendsechsundzwanzig
Jaartallen vóór 2000 zeg je in honderdtallen: 1995 neunzehnhundertfünfundneunzig. In cijfers gebruikt het Duits net als het Nederlands een komma voor decimalen en een punt voor duizendtallen: 2,5 (zwei Komma fünf), 1.000.
Klokkijken in de spreektaal
De vraag is Wie spät ist es? of Wie viel Uhr ist es? «Om» is um: um acht Uhr.
| Tijd | Duits in de spreektaal | Nederlands |
|---|---|---|
| 8:00 | acht (Uhr) | acht uur |
| 8:05 | fünf nach acht | vijf over acht |
| 8:15 | Viertel nach acht | kwart over acht |
| 8:30 | halb neun | half negen |
| 8:45 | Viertel vor neun | kwart voor negen |
| 8:50 | zehn vor neun | tien voor negen |
halb kijkt vooruit naar het volgende hele uur, precies zoals «half» in het Nederlands: halb neun is 8:30. Dat scheelt je een hoop denkwerk.
De officiële 24-uursklok
Dienstregelingen, afspraken en instanties gebruiken de 24-uursklok: uren plus Uhr plus minuten.
- 20:15 — zwanzig Uhr fünfzehn
- 7:30 — sieben Uhr dreißig
- Der Zug fährt um 18:42 Uhr. — De trein vertrekt om 18.42 uur.
Dagen, maanden, data
| Tijdswoord | Voorzetsel | Voorbeeld |
|---|---|---|
| dag, dagdeel | am | am Montag, am Wochenende, am Abend |
| maand, seizoen | im | im Mai, im Sommer |
| kloktijd | um | um halb sieben |
| jaartal | geen voorzetsel | 2020 bin ich umgezogen. |
Data gebruiken rangtelwoorden met een punt: der 3. Mai lees je als der dritte Mai; am 3. Mai is am dritten Mai.
Let op als Nederlandstalige
- De omgekeerde volgorde bij tientallen en halb neun voor 8:30 werken precies als in het Nederlands. Hier heb je een streepje voor op de meeste cursisten.
- «Op maandag» is am Montag, niet auf: ✗ auf Montag / ✓ am Montag.
- «In mei» is im Mai, met het samengetrokken lidwoord: ✗ in Mai / ✓ im Mai.
- Voor een jaartal komt in het Duits géén voorzetsel: ✗ Ich bin in 2019 gekommen. / ✓ Ich bin 2019 gekommen. of Ich bin im Jahr 2019 gekommen.
Voorbeelddialoog
Wann ist dein Termin beim Arzt? — Wanneer heb je je afspraak bij de dokter?
Am Donnerstag, dem 12. März, um Viertel nach zehn. — Donderdag 12 maart, om kwart over tien.
Und wie spät ist es jetzt? — En hoe laat is het nu?
Es ist halb zehn. Ich muss los! — Het is half tien. Ik moet gaan!