Langrit Start je gratis proefperiode

← Alle lessen Duitse grammatica

Modale werkwoorden (Modalverben)

Gratis les Duitse grammatica · A1

Wat ze doen

Modale werkwoorden voegen aan een ander werkwoord iets toe over kunnen, moeten, mogen of willen. Het modale werkwoord staat vervoegd op plaats 2, het hoofdwerkwoord gaat als infinitief naar het eind van de zin, zonder zu. Dat is dezelfde bouw als in het Nederlands.

  • Ich kann gut kochen. — Ik kan goed koken.
  • Wir müssen morgen früh aufstehen. — We moeten morgen vroeg opstaan.

Betekenissen

Modaal Nederlands Voorbeeld
können kunnen Kannst du mir helfen? — Kun je me helpen?
müssen moeten Ich muss arbeiten. — Ik moet werken.
wollen willen Er will Arzt werden. — Hij wil arts worden.
dürfen mogen (toestemming) Hier darf man parken. — Hier mag je parkeren.
sollen moeten (van een ander), zullen (in voorstellen) Der Arzt sagt, ich soll mehr schlafen. — De dokter zegt dat ik meer moet slapen.
mögen houden van, lusten Ich mag Katzen. — Ik hou van katten.
möchten zou graag willen Ich möchte einen Tee. — Ik wil graag een thee.

De twee vetgedrukte regels zijn de valkuilen: dürfen is «mogen» en mögen is «houden van». De klank wijst precies de verkeerde kant op.

Vormen: onregelmatig in het enkelvoud

In het enkelvoud verandert vaak de klinker, en ich en er/sie/es hebben geen uitgang (behalve bij möchten).

Persoon können müssen wollen dürfen sollen mögen möchten
ich kann muss will darf soll mag möchte
du kannst musst willst darfst sollst magst möchtest
er / sie / es kann muss will darf soll mag möchte
wir können müssen wollen dürfen sollen mögen möchten
ihr könnt müsst wollt dürft sollt mögt möchtet
sie / Sie können müssen wollen dürfen sollen mögen möchten

Woordvolgorde

Plaats 1 Modaal Middenveld Infinitief
Ich möchte ein Konto eröffnen.
Heute kann ich nicht kommen.
Darf ich hier rauchen?

müssen nicht en nicht dürfen

Het verschil tussen «hoeven niet» en «mogen niet» ken je al; het Duits maakt het precies zo:

  • Du musst heute nicht arbeiten. — Je hoeft vandaag niet te werken.
  • Du darfst hier nicht rauchen. — Je mag hier niet roken.

Let op als Nederlandstalige

  • mögen is niet «mogen». Voor toestemming heb je dürfen nodig: ✗ Ich mag hier parken. (dat zegt: ik hou ervan hier te parkeren) / ✓ Ich darf hier parken.
  • dürfen is niet «durven». «Ik durf het niet te vragen»: ✗ Ich darf nicht fragen. (dat betekent: ik mag het niet vragen) / ✓ Ich traue mich nicht zu fragen.
  • sollen is niet «zullen». Ich soll pünktlich sein betekent dat iemand anders dat van je verlangt. Voor «ik zal je bellen» gebruik je werden: ✗ Ich soll dich morgen anrufen. / ✓ Ich werde dich morgen anrufen. (Sollen wir gehen? voor «Zullen we gaan?» kan wél.)
  • Na een modaal werkwoord komt geen zu, net als in het Nederlands geen «te»: ✗ Ich muss zu arbeiten. / ✓ Ich muss arbeiten.

Voorbeelddialoog

Möchtest du am Samstag ins Kino gehen? — Wil je zaterdag naar de bioscoop?
Gern, aber ich kann nicht. Ich muss arbeiten. — Graag, maar ik kan niet. Ik moet werken.
Musst du auch am Sonntag arbeiten? — Moet je zondag ook werken?
Nein, am Sonntag muss ich nicht arbeiten. — Nee, zondag hoef ik niet te werken.

Wil je dat het blijft hangen? Doe de interactieve quiz en oefen deze structuur met gespreide herhaling.

Oefen dit onderwerp gratis

Meer Duitse grammatica