Langrit Start je gratis proefperiode

← Alle lessen Duitse grammatica

Scheidbare werkwoorden (trennbare Verben)

Gratis les Duitse grammatica · A1

Voorvoegsel plus werkwoord

Veel Duitse werkwoorden bestaan uit een voorvoegsel en een basiswerkwoord: auf + stehen = aufstehen (opstaan). In een hoofdzin staat het vervoegde basiswerkwoord op plaats 2 en gaat het voorvoegsel naar het eind van de zin. Precies zoals «Ik sta om zeven uur op».

Infinitief Betekenis Hoofdzin
aufstehen opstaan Ich stehe um sieben Uhr auf.
anrufen opbellen Ich rufe dich morgen an.
einkaufen boodschappen doen Wir kaufen am Samstag ein.
mitkommen meekomen Kommst du mit?
fernsehen tv kijken Er sieht jeden Abend fern.
abholen ophalen Sie holt die Kinder um drei ab.
zumachen dichtdoen Mach bitte das Fenster zu!

De klemtoon ligt op het voorvoegsel: AUFstehen, ANrufen.

Veelvoorkomende scheidbare voorvoegsels

ab-, an-, auf-, aus-, ein-, mit-, nach-, vor-, weg-, zu-, zurück-, fern-

  • Der Zug kommt um 9 Uhr an. — De trein komt om 9 uur aan.
  • Wann fängt der Kurs an? — Wanneer begint de cursus?

Wanneer het werkwoord heel blijft

Het voorvoegsel blijft vastzitten als het werkwoord een infinitief aan het eind is of achteraan in een bijzin staat:

Situatie Voorbeeld
bij een modaal werkwoord Ich muss morgen früh aufstehen.
bij werden (toekomst) Ich werde dich anrufen.
in een bijzin Ich weiß nicht, wann der Zug ankommt.

In de voltooide tijd schuift ge- tussen voorvoegsel en werkwoord, net als in het Nederlands: aufgestanden (opgestaan), eingekauft.

Onscheidbare voorvoegsels

De voorvoegsels be-, emp-, ent-, er-, ge-, miss-, ver-, zer- laten nooit los en krijgen nooit de klemtoon. Die groep ken je uit het Nederlands (bespreken, vertellen, ontmoeten).

  • Ich verstehe das nicht. — Ik begrijp dat niet.
  • Sie bekommt morgen ein Paket. — Zij krijgt morgen een pakket.
  • Das erkläre ich dir. — Dat leg ik je uit.

Let op als Nederlandstalige

  • Het hele systeem werkt als in het Nederlands, inclusief de ge- in het midden. Hier hoef je alleen de woorden te leren, niet de regel.
  • Het Nederlands mag het voorvoegsel in een bijzin losmaken («dat hij me op heeft gebeld»), het Duits nooit: ✗ ..., dass er mich an hat gerufen. / ✓ ..., dass er mich angerufen hat.
  • Bij zu schrijft het Duits alles aan elkaar, terwijl het Nederlands «te» los zet: ✗ ..., um dich an zu rufen. / ✓ ..., um dich anzurufen.
  • Het voorvoegsel is lang niet altijd hetzelfde als in het Nederlands: «opbellen» is anrufen, «ophalen» is abholen, «uitnodigen» is einladen. Leer het paar als één woord.

Voorbeelddialoog

Wann stehst du normalerweise auf? — Hoe laat sta je meestal op?
Um halb sieben. Dann hole ich meine Kollegin ab. — Om half zeven. Daarna haal ik mijn collega op.
Und wann kommst du nach Hause zurück? — En wanneer kom je weer thuis?
Um fünf. Danach kaufe ich noch ein. — Om vijf uur. Daarna doe ik nog boodschappen.

Wil je dat het blijft hangen? Doe de interactieve quiz en oefen deze structuur met gespreide herhaling.

Oefen dit onderwerp gratis

Meer Duitse grammatica