Plaats 0
Deze vijf voegwoorden verbinden twee hoofdzinnen zonder de woordvolgorde te veranderen. Ze staan op «plaats 0», vóór plaats 1, zodat de tweede zin gewoon begint met onderwerp plus werkwoord. Dat is hetzelfde als bij «en, maar, of, want».
| Voegwoord | Nederlands | Voorbeeld |
|---|---|---|
| und | en | Ich koche und du deckst den Tisch. — Ik kook en jij dekt de tafel. |
| aber | maar | Das Hotel ist klein, aber es ist sauber. — Het hotel is klein, maar het is schoon. |
| oder | of | Trinkst du Tee oder möchtest du Kaffee? — Drink je thee of wil je koffie? |
| denn | want | Ich bleibe zu Hause, denn ich bin krank. — Ik blijf thuis, want ik ben ziek. |
| sondern | maar (wel) | Er ist nicht Arzt, sondern Pfleger. — Hij is geen arts, maar verpleger. |
Woordvolgorde na het voegwoord
| Zin 1 | Plaats 0 | Plaats 1 | Werkwoord | Rest |
|---|---|---|---|---|
| Ich habe Hunger, | aber | ich | habe | kein Geld. |
| Wir gehen nicht ins Kino, | denn | es | ist | zu spät. |
| Ich bin müde, | aber | heute Abend | gehe | ich aus. |
Staat er na het voegwoord iets anders dan het onderwerp, dan geldt gewoon de V2-regel weer (laatste regel).
aber of sondern?
Het Nederlands heeft voor allebei «maar», het Duits maakt een verschil:
- aber voegt een tegenstelling of beperking toe: Die Wohnung ist schön, aber teuer. — Het appartement is mooi, maar duur.
- sondern corrigeert een ontkenning (er staat nicht of kein in het eerste deel): Ich komme nicht aus Österreich, sondern aus der Schweiz. — Ik kom niet uit Oostenrijk, maar uit Zwitserland.
Vast paar: nicht nur ... sondern auch — niet alleen ... maar ook.
Komma's en weggelaten onderwerpen
- Voor aber, denn en sondern staat altijd een komma.
- Voor und en oder hoeft geen komma.
- Bij und, oder, aber en sondern mag een herhaald onderwerp wegblijven: Ich stehe auf und trinke einen Kaffee. — Ik sta op en drink een koffie.
denn heeft altijd een volledige zin met een eigen onderwerp nodig. In de spreektaal gebruiken veel Duitsers liever weil, en dat stuurt het werkwoord naar het eind (zie de les over bijzinnen).
Let op als Nederlandstalige
- denn is «want», niet «dan». «Dan» is dann, en dat veroorzaakt wél inversie: ✗ Zuerst essen wir, denn gehen wir spazieren. / ✓ Zuerst essen wir, dann gehen wir spazieren.
- Na een ontkenning wordt «maar» sondern: ✗ Das ist nicht mein Handy, aber deins. / ✓ Das ist nicht mein Handy, sondern deins.
- «Of» heeft twee vertalingen: oder voor een keuze, ob in een indirecte vraag: ✗ Ich weiß nicht, oder er kommt. / ✓ Ich weiß nicht, ob er kommt.
- De volgorde na deze voegwoorden verandert niet, precies als in het Nederlands. Het enige wat je moet toevoegen is de verplichte komma voor aber, denn en sondern.
Voorbeelddialoog
Kommst du heute mit ins Schwimmbad? — Ga je vandaag mee naar het zwembad?
Nein, ich kann nicht, denn ich muss arbeiten. — Nee, ik kan niet, want ik moet werken.
Schade. Und morgen? — Jammer. En morgen?
Morgen nicht, sondern am Sonntag. Ich habe Zeit, aber nur am Nachmittag. — Morgen niet, maar zondag. Ik heb tijd, maar alleen 's middags.