Elk voorzetsel bepaalt zijn naamval
In het Duits staat het woord na een voorzetsel in een bepaalde naamval. Bij de meeste voorzetsels ligt die vast, dus leer het voorzetsel samen met zijn naamval. Het Nederlands geeft je hier geen enkele steun, want daar is de naamval van het lidwoord verdwenen.
Altijd de vierde naamval: durch, für, gegen, ohne, um
| Voorzetsel | Nederlands | Voorbeeld |
|---|---|---|
| durch | door | Wir gehen durch den Park. — We lopen door het park. |
| für | voor | Das Geschenk ist für meinen Vater. — Het cadeau is voor mijn vader. |
| gegen | tegen | Ich bin gegen den Plan. — Ik ben tegen het plan. |
| ohne | zonder | Er kommt ohne seine Frau. — Hij komt zonder zijn vrouw. |
| um | om, rond | Wir sitzen um den Tisch. — We zitten om de tafel. |
Een ezelsbruggetje is het onzinwoord DOGFU: durch, ohne, gegen, für, um.
Altijd de derde naamval: aus, bei, mit, nach, seit, von, zu
| Voorzetsel | Nederlands | Voorbeeld |
|---|---|---|
| aus | uit | Sie kommt aus der Türkei. — Zij komt uit Turkije. |
| bei | bij | Ich wohne bei meinen Eltern. — Ik woon bij mijn ouders. |
| mit | met | Ich fahre mit dem Bus. — Ik ga met de bus. |
| nach | na; naar (steden, landen) | Nach dem Essen fahren wir nach Wien. — Na het eten gaan we naar Wenen. |
| seit | sinds, al | Ich lerne seit einem Jahr Deutsch. — Ik leer al een jaar Duits. |
| von | van | Das ist ein Brief von meiner Bank. — Dat is een brief van mijn bank. |
| zu | naar (personen, gebouwen) | Ich gehe zu meiner Ärztin. — Ik ga naar mijn dokter. |
Samentrekkingen
| Volledige vorm | Korte vorm | Voorbeeld |
|---|---|---|
| zu dem | zum | Ich gehe zum Bahnhof. |
| zu der | zur | Sie fährt zur Arbeit. |
| bei dem | beim | Er ist beim Arzt. |
| von dem | vom | Ich komme gerade vom Sport. |
De korte vorm is de normale. De volledige vorm gebruik je alleen bij nadruk of als er een bijzin achteraan komt.
nach Hause en zu Hause
- nach Hause — naar huis: Ich gehe jetzt nach Hause.
- zu Hause — thuis: Ich bin heute zu Hause.
Dat onderscheid ken je al van «naar huis» en «thuis». Let alleen op de oude naamvalsvorm Hause.
Let op als Nederlandstalige
- «Naar» splitst in twee woorden: nach voor steden en landen, zu voor personen en gebouwen: ✗ Ich fahre zu Berlin. / ✓ Ich fahre nach Berlin. en ✗ Ich gehe nach dem Arzt. / ✓ Ich gehe zum Arzt.
- Het voorzetsel bepaalt de naamval, iets wat het Nederlands niet meer doet: ✗ ohne meinem Mann / ✓ ohne meinen Mann; ✗ mit der Bus / ✓ mit dem Bus.
- seit krijgt de derde naamval, en in het meervoud betekent dat een extra -n: ✗ seit drei Jahre / ✓ seit drei Jahren.
- bei is «bij» als het om een persoon of een bedrijf gaat, maar niet in de betekenis «naast»: ✗ Ich stehe bei der Tür. / ✓ Ich stehe an der Tür.
Voorbeelddialoog
Wo warst du heute Morgen? — Waar was je vanochtend?
Beim Zahnarzt. Danach bin ich mit dem Rad zur Arbeit gefahren. — Bij de tandarts. Daarna ben ik met de fiets naar mijn werk gegaan.
Ohne Frühstück? — Zonder ontbijt?
Ja, aber nach der Arbeit gehe ich direkt nach Hause und koche. — Ja, maar na het werk ga ik meteen naar huis om te koken.