Negen voorzetsels, twee naamvallen
De voorzetsels an, auf, hinter, in, neben, über, unter, vor, zwischen kunnen de vierde of de derde naamval krijgen. De vraag achter de zin beslist:
- Wohin? (waarheen: beweging naar een plek toe) → vierde naamval
- Wo? (waar: een plaats, geen verplaatsing) → derde naamval
| Wohin? + vierde naamval | Wo? + derde naamval |
|---|---|
| Ich gehe in den Garten. — Ik ga de tuin in. | Ich bin im Garten. — Ik ben in de tuin. |
| Er legt das Buch auf den Tisch. — Hij legt het boek op tafel. | Das Buch liegt auf dem Tisch. — Het boek ligt op tafel. |
| Sie hängt das Bild an die Wand. — Zij hangt het schilderij aan de muur. | Das Bild hängt an der Wand. — Het schilderij hangt aan de muur. |
De negen voorzetsels
| Voorzetsel | Nederlands | Voorbeeld met Wo? |
|---|---|---|
| an | aan, bij | an der Tür, am Fenster |
| auf | op | auf dem Sofa |
| hinter | achter | hinter dem Haus |
| in | in | in der Küche |
| neben | naast | neben der Apotheke |
| über | boven, over | über dem Bett |
| unter | onder | unter dem Stuhl |
| vor | voor | vor dem Kino |
| zwischen | tussen | zwischen dem Bahnhof und der Post |
Samentrekkingen
in dem → im, in das → ins, an dem → am, an das → ans.
- Wir gehen heute ins Kino. — We gaan vandaag naar de bioscoop.
- Das Auto steht am Bahnhof. — De auto staat bij het station.
Werkwoordparen
De werkwoorden van plaatsen (beweging, wohin?) krijgen de vierde naamval, de werkwoorden van ergens zijn (wo?) de derde. Deze paren lijken sterk op het Nederlands, alleen «zetten» splitst in stellen en setzen.
| Plaatsen (vierde naamval) | Zijn (derde naamval) | Nederlands |
|---|---|---|
| legen | liegen | leggen / liggen |
| stellen | stehen | zetten / staan |
| setzen | sitzen | zetten / zitten |
| hängen | hängen | hangen (ophangen) / hangen |
- Ich stelle die Flasche in den Kühlschrank. / Die Flasche steht im Kühlschrank.
- Ich lege das Handy auf den Schreibtisch. / Das Handy liegt auf dem Schreibtisch.
Tijdsbepalingen
In tijdsbepalingen krijgen an, in en vor de derde naamval: am Montag, in einer Stunde (over een uur), vor zwei Jahren (twee jaar geleden).
Let op als Nederlandstalige
- Het hele verschil zit in de naamval, en dat is precies het stuk grammatica dat het Nederlands niet meer heeft: ✗ Ich gehe in dem Supermarkt. / ✓ Ich gehe in den Supermarkt.
- De woordkeuze zelf mag je meestal overnemen: an der Wand is «aan de muur», auf dem Tisch is «op tafel», legen/liegen is leggen/liggen. Alleen «zetten» splitst: voor dingen die staan is het stellen, voor personen setzen: ✗ Ich setze die Flasche in den Kühlschrank. / ✓ Ich stelle die Flasche in den Kühlschrank.
- vor plus een tijdsduur betekent «geleden» en staat vóór de tijdsbepaling: ✗ drei Wochen vor / ✓ vor drei Wochen.
- «Over een uur» is in einer Stunde, niet über: ✗ Ich bin über eine Stunde da. / ✓ Ich bin in einer Stunde da.
Voorbeelddialoog
Wo ist mein Schlüssel? Ich habe ihn auf den Tisch gelegt. — Waar is mijn sleutel? Ik heb hem op tafel gelegd.
Auf dem Tisch liegt er nicht. Vielleicht in deiner Jacke? — Op tafel ligt hij niet. Misschien in je jas?
Die Jacke hängt an der Tür. Nein, da ist er auch nicht. — De jas hangt aan de deur. Nee, daar is hij ook niet.
Schau mal unter das Sofa! — Kijk eens onder de bank!
Ah, da liegt er ja, unter dem Sofa. — O, daar ligt hij, onder de bank.