Langrit Start je gratis proefperiode

← Alle lessen Duitse grammatica

De onvoltooid verleden tijd (Präteritum) van veelgebruikte werkwoorden

Gratis les Duitse grammatica · A2

Twee verleden tijden, elk met een eigen rol

Het Duits heeft twee verleden tijden met bijna dezelfde betekenis. Het verschil is vooral stijl:

  • Perfekt (ich habe gearbeitet): normaal in gesprekken, voor de meeste werkwoorden.
  • Präteritum (ich arbeitete): normaal in geschreven teksten, en in gesprekken voor een kleine groep veelgebruikte werkwoorden.

In de spreektaal gebruik je het Präteritum voor sein, haben, de modale werkwoorden en es gab (er was, er waren). Precies zoals je in het Nederlands «was», «had» en «moest» zegt en niet «ben geweest» of «heb gemoeten».

  • Gestern war ich krank. — Gisteren was ik ziek.
  • Wir hatten keine Zeit. — We hadden geen tijd.
  • Ich musste lange warten. — Ik moest lang wachten.

sein en haben

Persoon sein haben
ich war hatte
du warst hattest
er / sie / es war hatte
wir waren hatten
ihr wart hattet
sie / Sie waren hatten

ich en er/sie/es hebben in het Präteritum altijd dezelfde vorm, zonder eigen persoonsuitgang, net als «ik was» en «hij was».

Modale werkwoorden: -te, zonder umlaut

Infinitief ich / er du wir / sie
können konnte konntest konnten
müssen musste musstest mussten
dürfen durfte durftest durften
wollen wollte wolltest wollten
sollen sollte solltest sollten
mögen mochte mochtest mochten
  • Als Kind konnte ich nicht schwimmen. — Als kind kon ik niet zwemmen.
  • Sie wollte Ärztin werden. — Zij wilde arts worden.

Het geschreven Präteritum herkennen

In teksten kom je het Präteritum van alle werkwoorden tegen. Zwakke werkwoorden krijgen -te: machen → er machte, wohnen → sie wohnte, arbeiten → er arbeitete. Sterke werkwoorden veranderen de stam en hebben bij ich en er geen uitgang:

Infinitief Präteritum Infinitief Präteritum
gehen ging sehen sah
kommen kam geben gab
fahren fuhr finden fand
sprechen sprach bleiben blieb
essen stehen stand
  • Der Mann ging zur Tür und sah nach draußen. — De man liep naar de deur en keek naar buiten.

Let op als Nederlandstalige

  • In gesprekken gebruik je het Präteritum minder dan in het Nederlands. Waar je «Gisteren ging ik naar de film» zegt, kiest een Duitser meestal het Perfekt: Gestern bin ich ins Kino gegangen. (Gestern ging ich ins Kino klinkt als een verhaal.) Alleen war, hatte, es gab en de modale werkwoorden zijn in de spreektaal gewoon.
  • Het Duits kent geen 't kofschip: de uitgang is altijd -te, nooit -de: ✗ ich wohnde / ✓ ich wohnte; ✗ er lernde / ✓ er lernte.
  • konnte is «kon», könnte met umlaut is «zou kunnen». Hetzelfde geldt voor musste en müsste: ✗ Gestern könnte ich nicht kommen. / ✓ Gestern konnte ich nicht kommen.
  • «Er was» en «er waren» in de betekenis «er bestond» worden es gab: ✗ In der Stadt waren es keine Kinos. / ✓ In der Stadt gab es keine Kinos.

Voorbeelddialoog

Warum warst du gestern nicht im Kurs? — Waarom was je gisteren niet in de les?
Ich hatte einen Termin beim Amt und musste zwei Stunden warten. — Ik had een afspraak bij de gemeente en moest twee uur wachten.
Konntest du alles erledigen? — Kon je alles regelen?
Nein, es gab ein Problem mit meinen Unterlagen. — Nee, er was een probleem met mijn papieren.

Wil je dat het blijft hangen? Doe de interactieve quiz en oefen deze structuur met gespreide herhaling.

Oefen dit onderwerp gratis

Meer Duitse grammatica