Wat een wederkerend werkwoord is
Een wederkerend werkwoord heeft een voornaamwoord dat terugwijst naar het onderwerp: Ich wasche mich. (Ik was me.) Het Duits werkt hier bijna hetzelfde als het Nederlands: sich freuen is «zich verheugen», sich beeilen is «zich haasten». In het woordenboek staat het werkwoord met sich erbij.
De wederkerende voornaamwoorden
| Persoon | Vierde naamval | Derde naamval |
|---|---|---|
| ich | mich | mir |
| du | dich | dir |
| er / sie / es | sich | sich |
| wir | uns | uns |
| ihr | euch | euch |
| sie / Sie | sich | sich |
Alleen ich en du hebben twee verschillende vormen. Overal elders vallen de vierde en de derde naamval samen. sich krijgt een kleine letter, ook in de beleefde vorm: Setzen Sie sich, bitte.
Werkwoorden die je dagelijks nodig hebt
| Werkwoord | Nederlands | Voorbeeld |
|---|---|---|
| sich freuen auf | zich verheugen op | Ich freue mich auf den Urlaub. |
| sich interessieren für | geïnteresseerd zijn in | Er interessiert sich für Technik. |
| sich beeilen | zich haasten | Wir müssen uns beeilen. |
| sich fühlen | zich voelen | Wie fühlst du dich? |
| sich setzen | gaan zitten | Bitte setzen Sie sich. |
| sich anziehen | zich aankleden | Die Kinder ziehen sich allein an. |
| sich erinnern an | zich herinneren | Ich erinnere mich an den Tag. |
| sich treffen | afspreken, elkaar zien | Wir treffen uns um acht. |
Waar het voornaamwoord staat
Het wederkerend voornaamwoord komt zo vroeg mogelijk: direct na het vervoegde werkwoord, of na het onderwerp als dat achter het werkwoord staat.
- Ich ziehe mich schnell an. — Ik kleed me snel aan.
- Heute fühle ich mich besser. — Vandaag voel ik me beter.
- Er kommt nicht, weil er sich nicht wohl fühlt. — Hij komt niet, omdat hij zich niet lekker voelt.
In het Perfekt nemen wederkerende werkwoorden altijd haben: Ich habe mich sehr gefreut.
De derde naamval bij het wederkerend voornaamwoord
Staat er al een lijdend voorwerp in de zin, dan schuift het wederkerend voornaamwoord naar de derde naamval. Dat gebeurt standaard bij lichaamsdelen en kleding, en het Duits zet daar een lidwoord waar het Nederlands een bezittelijk voornaamwoord gebruikt.
- Ich wasche mir die Hände. — Ik was mijn handen.
- Er putzt sich die Zähne. — Hij poetst zijn tanden.
- Zieh dir eine Jacke an! — Trek een jas aan!
- Wir haben uns einen Film angesehen. — We hebben een film gekeken.
Let op als Nederlandstalige
- Het systeem zelf komt sterk overeen met het Nederlands, dus sich freuen, sich beeilen en sich erinnern voelen meteen goed. Het verschil zit bij lichaamsdelen en kleding.
- Daar gebruikt het Duits meestal de derde naamval plus een lidwoord (Ich wasche meine Hände is niet fout, maar minder gewoon). Let dan op de naamval: ✗ Ich wasche mich die Hände. / ✓ Ich wasche mir die Hände.
- Sommige werkwoorden zijn in het Duits wél wederkerend en in het Nederlands niet: ✗ Setzen Sie bitte. / ✓ Setzen Sie sich bitte. en ✗ Wir treffen um acht. / ✓ Wir treffen uns um acht.
- Alleen bij ich en du moet je kiezen tussen twee vormen: mich/mir en dich/dir. Bij alle andere personen kun je die keuze overslaan.
Voorbeelddialoog
Beeil dich, wir müssen in zehn Minuten los! — Schiet op, we moeten over tien minuten weg!
Ich ziehe mich gerade an. Wo ist mein Pullover? — Ik ben me net aan het aankleden. Waar is mijn trui?
Er liegt auf dem Stuhl. Hast du dir schon die Zähne geputzt? — Die ligt op de stoel. Heb je je tanden al gepoetst?
Ja. Ich freue mich übrigens sehr auf heute Abend. — Ja. Ik verheug me trouwens erg op vanavond.