Langrit Start je gratis proefperiode

← Alle lessen Duitse grammatica

De voltooid tegenwoordige tijd (Perfekt)

Gratis les Duitse grammatica · A2

De gewone verleden tijd in de spreektaal

In gesproken Duits is het Perfekt de normale manier om over het verleden te praten, net als het Nederlandse perfectum. Het gaat prima samen met een tijdsbepaling: Ich habe gestern Pizza gegessen. — Ik heb gisteren pizza gegeten.

De vorm bestaat uit twee delen: haben of sein op plaats 2, en het Partizip II (voltooid deelwoord) aan het eind van de zin.

Plaats 1 haben / sein Middenveld Partizip II
Ich habe am Wochenende viel gearbeitet.
Wir sind im Sommer nach Italien gefahren.
Gestern hat sie ihre Oma besucht.

Het Partizip II vormen

Soort werkwoord Patroon Voorbeelden
zwak (regelmatig) ge- + stam + -t machen → gemacht, kaufen → gekauft, arbeiten → gearbeitet
sterk ge- + (veranderde) stam + -en fahren → gefahren, sehen → gesehen, trinken → getrunken, schreiben → geschrieben
gemengd ge- + veranderde stam + -t bringen → gebracht, denken → gedacht, wissen → gewusst
scheidbaar voorvoegsel + ge + werkwoord aufstehen → aufgestanden, einkaufen → eingekauft, anrufen → angerufen
onscheidbaar (be-, ver-, er-, ent-) geen ge- besuchen → besucht, verstehen → verstanden, bekommen → bekommen
werkwoorden op -ieren geen ge- studieren → studiert, telefonieren → telefoniert

De eerste vijf regels werken als in het Nederlands. De laatste regel is nieuw: «gestudeerd» heeft wel een ge-, studiert niet.

haben of sein?

De meeste werkwoorden nemen haben. sein gebruik je bij werkwoorden zonder lijdend voorwerp die uitdrukken:

  • verplaatsing van A naar B: gehen, fahren, kommen, fliegen, laufen, reisen, umziehen
  • verandering van toestand: aufstehen, einschlafen, aufwachen, werden, sterben, wachsen
  • en verder: sein (ich bin gewesen), bleiben (ich bin geblieben), passieren (was ist passiert?)
Met haben Met sein
Ich habe gut geschlafen. Ich bin früh eingeschlafen.
Er hat ein Buch gelesen. Er ist nach Hause gegangen.
Wir haben Deutsch gelernt. Wir sind zu Hause geblieben.

Let op als Nederlandstalige

  • De verdeling haben/sein lijkt op hebben/zijn, maar loopt niet overal gelijk. beginnen, anfangen, aufhören en vergessen krijgen in het Duits haben: ✗ Ich bin angefangen. / ✓ Ich habe angefangen. en ✗ Ich bin das vergessen. / ✓ Ich habe das vergessen.
  • Werkwoorden op -ieren krijgen geen ge-: ✗ Ich habe gestudiert. / ✓ Ich habe studiert.; ✗ Ich habe getelefoniert. / ✓ Ich habe telefoniert.
  • Bij een verplaatsing kiest het Duits vaker sein dan het Nederlands: «Ik heb gefietst» is Ich bin Fahrrad gefahren, «Ik heb gezwommen» is Ich bin geschwommen.
  • Onscheidbare voorvoegsels krijgen in beide talen geen ge-: besucht is «bezocht», verstanden is «begrepen». Die regel mag je gewoon meenemen.

Voorbeelddialoog

Was hast du am Wochenende gemacht? — Wat heb je dit weekend gedaan?
Ich bin am Samstag nach Leipzig gefahren und habe eine Freundin besucht. — Ik ben zaterdag naar Leipzig gegaan en heb een vriendin bezocht.
Und am Sonntag? — En zondag?
Da bin ich lange im Bett geblieben und habe nur ferngesehen. — Toen ben ik lang in bed gebleven en heb ik alleen tv gekeken.

Wil je dat het blijft hangen? Doe de interactieve quiz en oefen deze structuur met gespreide herhaling.

Oefen dit onderwerp gratis

Meer Duitse grammatica