Het meewerkend voorwerp
Bij werkwoorden als geben, schenken, zeigen, schicken of erklären is er vaak iemand die iets ontvangt. Die persoon staat in de derde naamval; het ding dat gegeven wordt staat in de vierde. Vraag Wem? (aan wie) voor de derde naamval. Het Nederlands is deze naamval kwijt en gebruikt in plaats daarvan de volgorde of het woordje «aan».
- Ich gebe dem Kind einen Apfel. — Ik geef het kind een appel.
- Wir schenken unserer Mutter Blumen. — We geven onze moeder bloemen.
- Kannst du mir den Weg zeigen? — Kun je mij de weg wijzen?
De lidwoorden in de derde naamval
| Mannelijk | Vrouwelijk | Onzijdig | Meervoud | |
|---|---|---|---|---|
| Nominatief | der / ein | die / eine | das / ein | die / – |
| Accusatief | den / einen | die / eine | das / ein | die / – |
| Datief | dem / einem | der / einer | dem / einem | den / – + zelfstandig naamwoord op -n |
kein en de bezittelijke voornaamwoorden krijgen dezelfde uitgangen: keinem, meiner, seinem, unseren Kindern.
In het meervoud krijgt het zelfstandig naamwoord zélf nog een -n, tenzij het al op -n eindigt of -s krijgt: die Kinder → den Kindern, die Freunde → den Freunden, maar den Frauen, den Autos.
Persoonlijke voornaamwoorden
| Nominatief | ich | du | er | sie | es | wir | ihr | sie | Sie |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Accusatief | mich | dich | ihn | sie | es | uns | euch | sie | Sie |
| Datief | mir | dir | ihm | ihr | ihm | uns | euch | ihnen | Ihnen |
Werkwoorden met alleen een derde naamval
Deze werkwoorden krijgen alleen een derde naamval, ook waar het Nederlands een lijdend voorwerp (helpen, danken) of een heel andere constructie gebruikt:
| Werkwoord | Voorbeeld |
|---|---|
| helfen | Kannst du mir helfen? — Kun je me helpen? |
| danken | Ich danke Ihnen. — Ik dank u. |
| gehören | Das Fahrrad gehört meinem Bruder. — De fiets is van mijn broer. |
| gefallen | Die Wohnung gefällt uns. — De woning bevalt ons. |
| schmecken | Schmeckt dir die Suppe? — Vind je de soep lekker? |
| passen | Der Termin passt mir gut. — De afspraak komt me goed uit. |
Veel dagelijkse uitdrukkingen hebben een derde naamval: Wie geht es Ihnen? — Hoe gaat het met u? Mir ist kalt. — Ik heb het koud.
Volgorde van twee voorwerpen
- Twee zelfstandige naamwoorden: eerst de derde, dan de vierde naamval. Ich gebe dem Mann den Schlüssel.
- Is de vierde naamval een voornaamwoord, dan komt die eerst. Ich gebe ihn dem Mann. / Ich gebe ihn ihm. Dat is dezelfde volgorde als in «Ik geef het hem».
Let op als Nederlandstalige
- Het Nederlands heeft de derde naamval verloren; in het Duits leeft hij, en het meervoud krijgt er zelfs een extra -n bij: ✗ Ich helfe den Kinder. / ✓ Ich helfe den Kindern.
- helfen, danken en gratulieren krijgen een derde naamval waar jij een lijdend voorwerp verwacht: ✗ Ich helfe dich. / ✓ Ich helfe dir.
- Bij geben, zeigen en bringen komt voor de ontvanger geen «aan», maar de derde naamval: ✗ Kannst du an mich das Salz geben? / ✓ Kannst du mir das Salz geben? (Bij schicken en schreiben kan an wel: eine E-Mail an meinen Chef.)
- gefallen is gebouwd als «bevallen»: het ding is onderwerp en jij staat in de derde naamval: ✗ Ich gefalle die Wohnung. / ✓ Die Wohnung gefällt mir.
Voorbeelddialoog
Wem gehört die Jacke hier? — Van wie is deze jas?
Die gehört meiner Kollegin. — Die is van mijn collega.
Gefällt sie dir? — Vind je hem mooi?
Ja, sehr. Ich schenke meinem Freund so eine Jacke zum Geburtstag. — Ja, heel mooi. Ik geef mijn vriend zo'n jas voor zijn verjaardag.