Twee beslissingen
Een bezittelijk voornaamwoord (mein, dein, ...) beantwoordt twee vragen:
- Wie is de eigenaar? Dat bepaalt het woord: mein (mijn), sein (zijn), ihr (haar).
- Wat wordt er bezeten, en welke rol heeft dat in de zin? Dat bepaalt de uitgang, precies zoals bij ein en kein.
- Das ist mein Bruder. — Dat is mijn broer. (der Bruder)
- Das ist meine Schwester. — Dat is mijn zus. (die Schwester)
Het principe ken je al van «ons» en «onze»: ook daar kijk je naar het bezit, niet naar de bezitter. Het Duits doet dat bij alle vormen.
De stammen
| Eigenaar | Bezittelijk | Nederlands |
|---|---|---|
| ich | mein | mijn |
| du | dein | jouw, je |
| er / es | sein | zijn |
| sie (zij, enkelvoud) | ihr | haar |
| wir | unser | ons, onze |
| ihr | euer | jullie |
| sie (zij, meervoud) | ihr | hun |
| Sie | Ihr | uw |
Drie Nederlandse woorden vallen dus samen in één Duits woord: «haar», «hun» en «uw» zijn allemaal ihr. Alleen de hoofdletter (Ihr = uw) en de context maken het verschil.
Uitgangen: dezelfde als bij ein en kein
| Mannelijk | Vrouwelijk | Onzijdig | Meervoud | |
|---|---|---|---|---|
| Nominatief | mein Vater | meine Mutter | mein Kind | meine Eltern |
| Accusatief | meinen Vater | meine Mutter | mein Kind | meine Eltern |
Elk bezittelijk voornaamwoord volgt deze tabel: unser Sohn, unsere Tochter, unseren Sohn.
euer verliest de tweede e zodra er een uitgang bij komt: euer Haus, maar eure Wohnung, euren Garten.
Voorbeelden
- Wo ist dein Schlüssel? — Waar is jouw sleutel?
- Ich suche meine Brille. — Ik zoek mijn bril.
- Er ruft seinen Chef an. — Hij belt zijn baas.
- Sie besucht ihren Vater. — Zij gaat bij haar vader langs.
- Die Kinder spielen mit ihrem Hund. — De kinderen spelen met hun hond. (derde naamval, zie een latere les)
- Wie ist Ihr Name, bitte? — Wat is uw naam?
Let op als Nederlandstalige
- De uitgang richt zich naar het bezit, niet naar de eigenaar. Dat ken je van «ons/onze», maar in het Duits geldt het overal: ✗ Er besucht sein Mutter. / ✓ Er besucht seine Mutter.
- In de vierde naamval krijgt het mannelijke woord -en, net als bij einen: ✗ Ich liebe mein Mann. / ✓ Ich liebe meinen Mann.
- «Haar», «hun» en «uw» zijn alle drie ihr. Alleen Ihr met een hoofdletter is beleefd: ihre Mutter is haar of hun moeder, Ihre Mutter is uw moeder.
- «Jullie» verandert in het Nederlands nooit, euer wel, en verliest daarbij een e: ✗ euer Kinder / ✓ eure Kinder.
Voorbeelddialoog
Ist das Ihr Koffer? — Is dit uw koffer?
Nein, mein Koffer ist blau. Das ist der Koffer von meiner Frau. — Nee, mijn koffer is blauw. Dat is de koffer van mijn vrouw.
Und wo ist ihre Tasche? — En waar is haar tas?
Ihre Tasche ist noch im Auto. — Haar tas ligt nog in de auto.