Langrit Start je gratis proefperiode

← Alle lessen Duitse grammatica

Bezittelijke voornaamwoorden (Possessivartikel)

Gratis les Duitse grammatica · A1

Twee beslissingen

Een bezittelijk voornaamwoord (mein, dein, ...) beantwoordt twee vragen:

  1. Wie is de eigenaar? Dat bepaalt het woord: mein (mijn), sein (zijn), ihr (haar).
  2. Wat wordt er bezeten, en welke rol heeft dat in de zin? Dat bepaalt de uitgang, precies zoals bij ein en kein.
  • Das ist mein Bruder. — Dat is mijn broer. (der Bruder)
  • Das ist meine Schwester. — Dat is mijn zus. (die Schwester)

Het principe ken je al van «ons» en «onze»: ook daar kijk je naar het bezit, niet naar de bezitter. Het Duits doet dat bij alle vormen.

De stammen

Eigenaar Bezittelijk Nederlands
ich mein mijn
du dein jouw, je
er / es sein zijn
sie (zij, enkelvoud) ihr haar
wir unser ons, onze
ihr euer jullie
sie (zij, meervoud) ihr hun
Sie Ihr uw

Drie Nederlandse woorden vallen dus samen in één Duits woord: «haar», «hun» en «uw» zijn allemaal ihr. Alleen de hoofdletter (Ihr = uw) en de context maken het verschil.

Uitgangen: dezelfde als bij ein en kein

Mannelijk Vrouwelijk Onzijdig Meervoud
Nominatief mein Vater meine Mutter mein Kind meine Eltern
Accusatief meinen Vater meine Mutter mein Kind meine Eltern

Elk bezittelijk voornaamwoord volgt deze tabel: unser Sohn, unsere Tochter, unseren Sohn.

euer verliest de tweede e zodra er een uitgang bij komt: euer Haus, maar eure Wohnung, euren Garten.

Voorbeelden

  • Wo ist dein Schlüssel? — Waar is jouw sleutel?
  • Ich suche meine Brille. — Ik zoek mijn bril.
  • Er ruft seinen Chef an. — Hij belt zijn baas.
  • Sie besucht ihren Vater. — Zij gaat bij haar vader langs.
  • Die Kinder spielen mit ihrem Hund. — De kinderen spelen met hun hond. (derde naamval, zie een latere les)
  • Wie ist Ihr Name, bitte? — Wat is uw naam?

Let op als Nederlandstalige

  • De uitgang richt zich naar het bezit, niet naar de eigenaar. Dat ken je van «ons/onze», maar in het Duits geldt het overal: ✗ Er besucht sein Mutter. / ✓ Er besucht seine Mutter.
  • In de vierde naamval krijgt het mannelijke woord -en, net als bij einen: ✗ Ich liebe mein Mann. / ✓ Ich liebe meinen Mann.
  • «Haar», «hun» en «uw» zijn alle drie ihr. Alleen Ihr met een hoofdletter is beleefd: ihre Mutter is haar of hun moeder, Ihre Mutter is uw moeder.
  • «Jullie» verandert in het Nederlands nooit, euer wel, en verliest daarbij een e: ✗ euer Kinder / ✓ eure Kinder.

Voorbeelddialoog

Ist das Ihr Koffer? — Is dit uw koffer?
Nein, mein Koffer ist blau. Das ist der Koffer von meiner Frau. — Nee, mijn koffer is blauw. Dat is de koffer van mijn vrouw.
Und wo ist ihre Tasche? — En waar is haar tas?
Ihre Tasche ist noch im Auto. — Haar tas ligt nog in de auto.

Wil je dat het blijft hangen? Doe de interactieve quiz en oefen deze structuur met gespreide herhaling.

Oefen dit onderwerp gratis

Meer Duitse grammatica