De tegenwoordige tijd is de gewone toekomst
Voor plannen en afspraken gebruikt het Duits de tegenwoordige tijd plus een tijdsbepaling. Dat is wat mensen werkelijk zeggen, en het werkt net als «Morgen ga ik naar Keulen».
- Morgen fahre ich nach Köln. — Morgen ga ik naar Keulen.
- Nächste Woche fängt der Kurs an. — Volgende week begint de cursus.
- Im August ziehen wir um. — In augustus verhuizen we.
Het tijdswoord draagt de toekomst: morgen, übermorgen, nächste Woche, in zwei Tagen, bald, später, am Montag.
werden + infinitief
De echte toekomende tijd is werden op plaats 2 met de infinitief aan het eind.
| Persoon | werden | Voorbeeld |
|---|---|---|
| ich | werde | Ich werde dich anrufen. |
| du | wirst | Du wirst das schaffen. |
| er / sie / es | wird | Es wird morgen regnen. |
| wir | werden | Wir werden bald umziehen. |
| ihr | werdet | Ihr werdet viel lernen. |
| sie / Sie | werden | Sie werden nichts merken. |
Wanneer Duitsers Futur I echt gebruiken
| Gebruik | Voorbeeld |
|---|---|
| voorspelling | Das Wetter wird besser. |
| belofte, vast voornemen | Ich werde dich nicht vergessen. |
| waarschuwing | Das wirst du noch bereuen. |
| vermoeden over nu, met wohl | Er wird jetzt wohl zu Hause sein. |
De laatste regel gaat helemaal niet over de toekomst: die zegt dat hij op dit moment waarschijnlijk thuis is.
werden alleen betekent «worden»
Zonder tweede werkwoord is werden een zelfstandig werkwoord, precies als het Nederlandse «worden»: Ich werde Krankenpflegerin. (Ik word verpleegkundige.) Es wird kalt. (Het wordt koud.)
Let op als Nederlandstalige
- «Gaan + infinitief» bestaat in het Duits niet als toekomst. gehen + infinitief betekent alleen dat je echt ergens heen gaat (Ich gehe einkaufen): ✗ Es geht morgen regnen. / ✓ Es wird morgen regnen. of gewoon Morgen regnet es.
- «Zullen» is werden, niet sollen: ✗ Ich soll dich morgen anrufen. (dat zegt: iemand vindt dat ik je moet bellen) / ✓ Ich werde dich morgen anrufen.
- werden als zelfstandig werkwoord is gewoon «worden»: Es wird kalt, Er wird Arzt. Die betekenis mag je meenemen.
- Na wenn gebruik je voor de toekomst gewoon de tegenwoordige tijd, net als in het Nederlands: Wenn ich Zeit habe, komme ich. Een werden-vorm in de wenn-zin is niet fout, maar klinkt stijf en omslachtig.
Voorbeelddialoog
Was machst du nächsten Sommer? — Wat ga je volgende zomer doen?
Ich fange im Juni eine neue Stelle an. — Ik begin in juni aan een nieuwe baan.
Und der Umzug? — En de verhuizing?
Wir werden wohl im Mai umziehen, aber sicher ist das noch nicht. — We verhuizen waarschijnlijk in mei, maar zeker is het nog niet.
Du wirst das schon schaffen. — Dat gaat je vast wel lukken.