Langrit Start je gratis proefperiode

← Alle lessen Duitse grammatica

Betrekkelijke bijzinnen (Relativsätze)

Gratis les Duitse grammatica · B1

Twee vragen bepalen het voornaamwoord

Een betrekkelijke bijzin beschrijft een zelfstandig naamwoord. Hij begint met een betrekkelijk voornaamwoord, staat achter een komma en zet het vervoegde werkwoord aan het eind. Waar het Nederlands alleen tussen «die» en «dat» hoeft te kiezen, beantwoord je in het Duits twee vragen:

  1. Geslacht en getal komen van het woord in de hoofdzin.
  2. De naamval komt van de rol die het voornaamwoord binnen de bijzin speelt.

De betrekkelijke voornaamwoorden

Naamval Mannelijk Vrouwelijk Onzijdig Meervoud
Nominatief der die das die
Accusatief den die das die
Datief dem der dem denen
Genitief dessen deren dessen deren

Het zijn de bepaalde lidwoorden, met twee verrassingen: het meervoud denen in de derde naamval, en de genitiefvormen.

Hetzelfde woord, vier naamvallen

Zin Waarom
Das ist der Mann, der neben mir wohnt. der is onderwerp in de bijzin
Das ist der Mann, den ich gestern getroffen habe. lijdend voorwerp
Das ist der Mann, dem ich geholfen habe. helfen krijgt de derde naamval
Das ist der Mann, dessen Auto hier steht. bezit: wiens auto
  • Die Kinder, denen wir geholfen haben, wohnen nebenan. — De kinderen die we geholpen hebben, wonen hiernaast.

Voorzetsels staan vooraan

Heeft het werkwoord in de bijzin een voorzetsel nodig, dan komt dat vóór het betrekkelijk voornaamwoord en bepaalt het de naamval. Een vorm als het Nederlandse «waarmee» of «waarop» gebruik je hier niet.

  • Das ist die Kollegin, mit der ich arbeite. — Dat is de collega met wie ik werk.
  • Der Kurs, für den ich mich angemeldet habe, beginnt im Mai. — De cursus waarvoor ik me heb ingeschreven, begint in mei.

wo en was

wo vervangt een plaats: die Stadt, wo ich geboren bin (ook in der ich geboren bin).

was gebruik je na alles, etwas, nichts, vieles, das, en om naar een hele zin terug te verwijzen:

  • Alles, was du sagst, stimmt. — Alles wat je zegt, klopt.
  • Er kam zu spät, was mich geärgert hat. — Hij kwam te laat, wat me irriteerde.

Let op als Nederlandstalige

  • Het Nederlands kiest tussen «die» en «dat», het Duits kiest geslacht én naamval: ✗ das Buch, den ich lese / ✓ das Buch, das ich lese.
  • De naamval komt van de rol binnen de bijzin, niet van het woord in de hoofdzin: ✗ der Mann, der ich getroffen habe / ✓ der Mann, den ich getroffen habe.
  • «waarmee», «waarop» en «waarvoor» kun je niet overnemen: het Duits zet het voorzetsel vóór het voornaamwoord: ✗ die Kollegin, womit ich arbeite / ✓ die Kollegin, mit der ich arbeite.
  • «wiens» en «wier» zijn dessen en deren: ✗ der Mann, wessen Hund hier liegt / ✓ der Mann, dessen Hund hier liegt.

Voorbeelddialoog

Kennst du die Frau, die dort am Fenster sitzt? — Ken je die vrouw die daar bij het raam zit?
Das ist die Ärztin, bei der ich letzte Woche war. — Dat is de arts bij wie ik vorige week was.
Und der Mann, dessen Hund unter dem Tisch liegt? — En die man wiens hond onder de tafel ligt?
Keine Ahnung. Aber der Hund, den er immer mitbringt, ist sehr ruhig. — Geen idee. Maar de hond die hij altijd meeneemt, is heel rustig.

Wil je dat het blijft hangen? Doe de interactieve quiz en oefen deze structuur met gespreide herhaling.

Oefen dit onderwerp gratis

Meer Duitse grammatica