zu + infinitief aan het eind
Veel werkwoorden en uitdrukkingen krijgen een tweede werkwoord in de vorm zu + infinitief, en dat staat aan het eind van zijn groep. Dat is dezelfde bouw als het Nederlandse «te» + infinitief.
- Ich habe keine Zeit zu kochen. — Ik heb geen tijd om te koken.
- Es ist wichtig, pünktlich zu sein. — Het is belangrijk om op tijd te zijn.
Zodra de infinitiefgroep meer bevat dan alleen het werkwoord, zet je meestal een komma. Na um ... zu, ohne ... zu en statt ... zu is die komma verplicht.
| Aanleiding | Voorbeeld |
|---|---|
| versuchen | Ich versuche, früher aufzustehen. |
| vergessen | Vergiss nicht, das Formular zu unterschreiben. |
| anfangen, aufhören | Es hat angefangen zu regnen. |
| hoffen | Ich hoffe, dich bald zu sehen. |
| Lust haben | Hast du Lust, ins Kino zu gehen? |
| Zeit / Angst haben | Sie hat Angst, den Zug zu verpassen. |
| es ist wichtig / schwer | Es ist schwer, eine Wohnung zu finden. |
Scheidbare werkwoorden: zu gaat erin
Bij een scheidbaar werkwoord schrijf je zu tussen het voorvoegsel en het werkwoord, als één woord. Het Nederlands zet «te» juist los.
| Infinitief | met zu | Nederlands |
|---|---|---|
| anrufen | anzurufen | op te bellen |
| aufstehen | aufzustehen | op te staan |
| einkaufen | einzukaufen | boodschappen te doen |
| mitkommen | mitzukommen | mee te komen |
- Ich habe vergessen, dich anzurufen. — Ik ben vergeten je op te bellen.
um ... zu voor een doel
um ... zu is «om ... te» en antwoordt op de vraag waarvoor. Je gebruikt het alleen als beide delen hetzelfde onderwerp hebben.
- Ich lerne Deutsch, um hier zu arbeiten. — Ik leer Duits om hier te werken.
- Er steht früh auf, um den Zug zu erreichen. — Hij staat vroeg op om de trein te halen.
Zijn de onderwerpen verschillend, dan neem je damit met een gewone bijzin (werkwoord aan het eind), net als het Nederlandse «zodat»:
- Ich spreche langsam, damit du mich verstehst. — Ik praat langzaam zodat je me begrijpt.
Verwante patronen: ohne ... zu («zonder te») en statt ... zu («in plaats van te»): Er ging, ohne etwas zu sagen.
Geen zu na modale werkwoorden
können, müssen, wollen, dürfen, sollen, mögen krijgen een kale infinitief, en dat geldt ook voor werden, lassen, sehen, hören en gehen. Het Nederlands zet daar evenmin «te» neer.
- Ich muss arbeiten. / Ich gehe einkaufen. / Ich höre ihn singen.
Let op als Nederlandstalige
- um ... zu, ohne ... zu en statt ... zu komen één-op-één overeen met «om te», «zonder te» en «in plaats van te», en na een modaal werkwoord komt in beide talen niets. Die intuïtie klopt.
- Bij scheidbare werkwoorden schrijft het Duits zu ín het woord: ✗ ..., um dich an zu rufen. / ✓ ..., um dich anzurufen.
- «Stoppen met» is aufhören, niet stoppen (dat gebruik je voor een auto of een klok): ✗ Ich habe gestoppt zu rauchen. / ✓ Ich habe aufgehört zu rauchen. of Ich habe mit dem Rauchen aufgehört.
- Bij twee verschillende onderwerpen moet je damit nemen: ✗ Ich spreche langsam, um du mich zu verstehen. / ✓ Ich spreche langsam, damit du mich verstehst.
Voorbeelddialoog
Hast du Lust, am Samstag mitzukommen? — Heb je zin om zaterdag mee te gaan?
Gern, aber ich habe versprochen, meiner Mutter zu helfen. — Graag, maar ik heb beloofd mijn moeder te helpen.
Schade. Ich habe dich gefragt, um nicht allein fahren zu müssen. — Jammer. Ik vroeg het je om niet alleen te hoeven rijden.
Ruf mich an, damit wir für nächste Woche etwas ausmachen können. — Bel me, zodat we voor volgende week iets kunnen afspreken.