Langrit Start je gratis proefperiode

← Alle lessen Duitse grammatica

De infinitief met zu en um ... zu

Gratis les Duitse grammatica · B1

zu + infinitief aan het eind

Veel werkwoorden en uitdrukkingen krijgen een tweede werkwoord in de vorm zu + infinitief, en dat staat aan het eind van zijn groep. Dat is dezelfde bouw als het Nederlandse «te» + infinitief.

  • Ich habe keine Zeit zu kochen. — Ik heb geen tijd om te koken.
  • Es ist wichtig, pünktlich zu sein. — Het is belangrijk om op tijd te zijn.

Zodra de infinitiefgroep meer bevat dan alleen het werkwoord, zet je meestal een komma. Na um ... zu, ohne ... zu en statt ... zu is die komma verplicht.

Aanleiding Voorbeeld
versuchen Ich versuche, früher aufzustehen.
vergessen Vergiss nicht, das Formular zu unterschreiben.
anfangen, aufhören Es hat angefangen zu regnen.
hoffen Ich hoffe, dich bald zu sehen.
Lust haben Hast du Lust, ins Kino zu gehen?
Zeit / Angst haben Sie hat Angst, den Zug zu verpassen.
es ist wichtig / schwer Es ist schwer, eine Wohnung zu finden.

Scheidbare werkwoorden: zu gaat erin

Bij een scheidbaar werkwoord schrijf je zu tussen het voorvoegsel en het werkwoord, als één woord. Het Nederlands zet «te» juist los.

Infinitief met zu Nederlands
anrufen anzurufen op te bellen
aufstehen aufzustehen op te staan
einkaufen einzukaufen boodschappen te doen
mitkommen mitzukommen mee te komen
  • Ich habe vergessen, dich anzurufen. — Ik ben vergeten je op te bellen.

um ... zu voor een doel

um ... zu is «om ... te» en antwoordt op de vraag waarvoor. Je gebruikt het alleen als beide delen hetzelfde onderwerp hebben.

  • Ich lerne Deutsch, um hier zu arbeiten. — Ik leer Duits om hier te werken.
  • Er steht früh auf, um den Zug zu erreichen. — Hij staat vroeg op om de trein te halen.

Zijn de onderwerpen verschillend, dan neem je damit met een gewone bijzin (werkwoord aan het eind), net als het Nederlandse «zodat»:

  • Ich spreche langsam, damit du mich verstehst. — Ik praat langzaam zodat je me begrijpt.

Verwante patronen: ohne ... zu («zonder te») en statt ... zu («in plaats van te»): Er ging, ohne etwas zu sagen.

Geen zu na modale werkwoorden

können, müssen, wollen, dürfen, sollen, mögen krijgen een kale infinitief, en dat geldt ook voor werden, lassen, sehen, hören en gehen. Het Nederlands zet daar evenmin «te» neer.

  • Ich muss arbeiten. / Ich gehe einkaufen. / Ich höre ihn singen.

Let op als Nederlandstalige

  • um ... zu, ohne ... zu en statt ... zu komen één-op-één overeen met «om te», «zonder te» en «in plaats van te», en na een modaal werkwoord komt in beide talen niets. Die intuïtie klopt.
  • Bij scheidbare werkwoorden schrijft het Duits zu ín het woord: ✗ ..., um dich an zu rufen. / ✓ ..., um dich anzurufen.
  • «Stoppen met» is aufhören, niet stoppen (dat gebruik je voor een auto of een klok): ✗ Ich habe gestoppt zu rauchen. / ✓ Ich habe aufgehört zu rauchen. of Ich habe mit dem Rauchen aufgehört.
  • Bij twee verschillende onderwerpen moet je damit nemen: ✗ Ich spreche langsam, um du mich zu verstehen. / ✓ Ich spreche langsam, damit du mich verstehst.

Voorbeelddialoog

Hast du Lust, am Samstag mitzukommen? — Heb je zin om zaterdag mee te gaan?
Gern, aber ich habe versprochen, meiner Mutter zu helfen. — Graag, maar ik heb beloofd mijn moeder te helpen.
Schade. Ich habe dich gefragt, um nicht allein fahren zu müssen. — Jammer. Ik vroeg het je om niet alleen te hoeven rijden.
Ruf mich an, damit wir für nächste Woche etwas ausmachen können. — Bel me, zodat we voor volgende week iets kunnen afspreken.

Wil je dat het blijft hangen? Doe de interactieve quiz en oefen deze structuur met gespreide herhaling.

Oefen dit onderwerp gratis

Meer Duitse grammatica