Dingen krijgen da-, personen een voornaamwoord
Na een werkwoord met een vast voorzetsel kun je over een ding niet auf es of über sie zeggen. Het Duits plakt dan da- aan het voorzetsel, precies zoals het Nederlands «daarop» en «daarmee» vormt. Bij personen blijft het voorzetsel staan met een gewoon persoonlijk voornaamwoord.
| Werkwoord | Over een ding | Over een persoon |
|---|---|---|
| warten auf | Ich warte darauf. | Ich warte auf ihn. |
| sprechen über | Wir sprechen darüber. | Wir sprechen über sie. |
| sich kümmern um | Ich kümmere mich darum. | Ich kümmere mich um ihn. |
| Angst haben vor | Ich habe davor Angst. | Ich habe vor ihm Angst. |
dar- voor een klinker
| da + medeklinker | dar + klinker |
|---|---|
| damit, dafür, davon, danach, dazu | darauf, daran, darüber, darum, darin, darunter |
De r zit er alleen om het woord uitspreekbaar te maken; daauf en daan bestaan niet.
Vragen: wo(r)- of voorzetsel + wen/wem
| Naar een ding vragen | Naar een persoon vragen |
|---|---|
| Worauf wartest du? | Auf wen wartest du? |
| Woran denkst du? | An wen denkst du? |
| Worüber ärgerst du dich? | Über wen ärgerst du dich? |
| Womit schreibst du? | Mit wem sprichst du? |
De naamval van wen of wem komt van het voorzetsel, net als in de mededelende zin.
da- dat vooruitwijst naar een bijzin
Is het «ding» een hele gedachte, dan staat het da-woord in de hoofdzin en kondigt het een dass-zin of een zu-infinitief aan.
- Ich freue mich darauf, dich zu sehen. — Ik verheug me erop je te zien.
- Wir warten darauf, dass der Bus kommt. — We wachten erop dat de bus komt.
- Er hat mich darum gebeten, früher zu kommen. — Hij heeft me erom gevraagd eerder te komen.
- Ich denke oft daran, wie es früher war. — Ik denk er vaak aan hoe het vroeger was.
Bij de meeste van deze werkwoorden hoort het da-woord er gewoon bij (Wir warten darauf, dass ...); bij een paar, zoals bitten, mag het ook wegblijven. Het Nederlands doet hier hetzelfde met «erop», «eraan» en «erom».
Let op als Nederlandstalige
- De vormen zelf komen overeen met het Nederlands: darauf, damit, woran en worüber zijn «daarop», «daarmee», «waaraan» en «waarover». Het rijtje kost je dus weinig moeite.
- Maar het Duits splitst ze niet, terwijl het Nederlands dat juist graag doet: ✗ Wo wartest du auf? / ✓ Worauf wartest du? en ✗ Da freue ich mich auf. / ✓ Darauf freue ich mich.
- Bij personen gebruik je geen da- of wo-woord, maar het voorzetsel plus een voornaamwoord: ✗ Mein Bruder kommt gleich, ich warte darauf. / ✓ ..., ich warte auf ihn.
- Vergeet de verbindende r niet voor een klinker: ✗ daauf, daan, daüber / ✓ darauf, daran, darüber.
Voorbeelddialoog
Worüber habt ihr so lange gesprochen? — Waarover hebben jullie zo lang gepraat?
Über die neue Wohnung. Ich freue mich schon darauf. — Over het nieuwe appartement. Ik verheug me er al op.
Und der Vermieter? Hast du mit ihm geredet? — En de verhuurder? Heb je met hem gepraat?
Noch nicht. Ich warte darauf, dass er den Vertrag schickt. — Nog niet. Ik wacht erop dat hij het contract stuurt.