Langrit Start je gratis proefperiode

← Alle lessen Duitse grammatica

Indirecte rede (Konjunktiv I)

Gratis les Duitse grammatica · B2

Indirecte rede in gewone taal

In een gesprek geeft het Duits weer wat iemand gezegd heeft met de gewone aantonende wijs, in een dass-zin of met de normale V2-volgorde. Dat is precies wat het Nederlands doet.

  • Er sagt, dass er keine Zeit hat. — Hij zegt dat hij geen tijd heeft.
  • Er sagt, er hat keine Zeit. — zelfde betekenis, zonder dass.

Voornaamwoorden en tijdswoorden schuiven mee met het perspectief: Ich komme morgen. wordt Er sagt, dass er am nächsten Tag kommt.

Konjunktiv I in nieuws en verslagen

Kranten, radio en formele verslagen markeren een citaat met Konjunktiv I. Die vorm bouw je van de infinitiefstam plus -e, -est, -e, -en, -et, -en. Het Nederlands heeft hier niets vergelijkbaars; het dichtste equivalent is «hij zou ziek zijn».

Persoon sein haben kommen können
ich sei habe komme könne
du seist habest kommest könnest
er / sie / es sei habe komme könne
wir seien haben kommen können
ihr seiet habet kommet könnet
sie / Sie seien haben kommen können

sein is het enige werkwoord met een volledig eigen rijtje, en ich sei en er sei hebben geen -e. In de praktijk heb je vooral de derde persoon enkelvoud nodig:

  • Der Minister erklärte, die Lage sei ernst. — De minister verklaarde dat de situatie ernstig was.
  • Sie sagte, sie habe den Brief schon abgeschickt. — Ze zei dat ze de brief al verstuurd had.

Als de vorm niets laat zien: Konjunktiv II

sie haben is in Konjunktiv I gelijk aan de aantonende wijs en markeert dus niets. Het Duits stapt dan over op Konjunktiv II.

  • Die Nachbarn sagten, sie hätten nichts gehört. — De buren zeiden dat ze niets gehoord hadden.
  • Die Kinder sagen, sie kämen morgen mit. — De kinderen zeggen dat ze morgen meekomen.

Het verleden heeft maar één vorm

sei of habe plus het voltooid deelwoord dekt elke verleden tijd van de oorspronkelijke zin.

  • Er sagte, er sei gestern angekommen.
  • Sie sagte, sie habe davon nichts gewusst.

Indirecte vragen

Een ja/nee-vraag wordt een ob-zin, een vraagwoordvraag houdt zijn vraagwoord. Het werkwoord gaat naar het eind en het vraagteken verdwijnt, net als in het Nederlands.

Directe vraag Indirect
Kommst du mit? Er fragt, ob ich mitkomme.
Wo wohnst du? Er fragt, wo ich wohne.
Wann fängt der Kurs an? Sie will wissen, wann der Kurs anfängt.

Let op als Nederlandstalige

  • Het Nederlandse nieuwsbericht zegt «hij zou ziek zijn». Vertaal dat «zou» niet met würde, want dat maakt er iets hypothetisch van: ✗ Der Minister würde krank sein. / ✓ Der Minister sei krank.
  • «Of» is ob, nooit oder: ✗ Sie fragte, oder ich Zeit habe. / ✓ Sie fragte, ob ich Zeit habe.
  • In Konjunktiv I schuift de tijd niet mee terug zoals in het Nederlands: «Hij zei dat hij ziek was» (op dat moment) wordt Er sagte, er sei krank. Een verleden vorm zegt dat hij daarvóór ziek was: ✗ Er sagte, er sei krank gewesen. (voor «hij was toen ziek») / ✓ Er sagte, er sei krank.
  • Gebruik Konjunktiv I niet in gewone gesprekken; daar klinkt hij als een nieuwslezer. Zeg dan Er hat gesagt, dass ... met de aantonende wijs.

Voorbeelddialoog

Was hat die Vermieterin gesagt? — Wat zei de verhuurster?
Sie hat gesagt, dass die Heizung morgen repariert wird. — Ze zei dat de verwarming morgen gerepareerd wordt.
In der E-Mail der Hausverwaltung steht, der Handwerker sei krank. — In de e-mail van de beheerder staat dat de monteur ziek zou zijn.
Dann frag sie, ob der Termin noch steht. — Vraag haar dan of de afspraak nog staat.

Wil je dat het blijft hangen? Doe de interactieve quiz en oefen deze structuur met gespreide herhaling.

Oefen dit onderwerp gratis

Meer Duitse grammatica