Langrit Start je gratis proefperiode

← Alle lessen Duitse grammatica

Werkwoorden met een vast voorzetsel (Verben mit Präposition)

Gratis les Duitse grammatica · B2

Eén geheel: werkwoord + voorzetsel + naamval

Veel Duitse werkwoorden horen bij één bepaald voorzetsel, en dat voorzetsel brengt een vaste naamval mee. Het Nederlands kent hetzelfde verschijnsel («wachten op», «denken aan»), en vaak is het voorzetsel zelfs hetzelfde. Het nieuwe werk zit dus in de naamval: leer alle drie de delen samen, warten auf + Akkusativ.

Vast voorzetsel met de vierde naamval

Werkwoord Voorzetsel Voorbeeld Nederlands
warten auf + Akk Ich warte auf den Bus. wachten op
denken an + Akk Ich denke an meine Familie. denken aan
sich erinnern an + Akk Erinnerst du dich an den Tag? zich herinneren
sich freuen auf + Akk (komt nog) Ich freue mich auf das Wochenende. zich verheugen op
sich freuen über + Akk (al gebeurd) Sie freut sich über das Geschenk. blij zijn met
sich ärgern über + Akk Ich ärgere mich über den Lärm. zich ergeren aan
sich interessieren für + Akk Er interessiert sich für die Politik. zich interesseren voor
sich kümmern um + Akk Sie kümmert sich um die Kinder. zorgen voor
bitten um + Akk Ich bitte um einen Termin. vragen om

Vast voorzetsel met de derde naamval

Werkwoord Voorzetsel Voorbeeld Nederlands
teilnehmen an + Dat Sie nimmt an dem Kurs teil. deelnemen aan
Angst haben vor + Dat Ich habe Angst vor dem Hund. bang zijn voor
sich treffen mit + Dat Ich treffe mich mit einer Freundin. afspreken met
helfen bei + Dat Er hilft mir bei der Arbeit. helpen bij
sprechen / reden mit + Dat Ich spreche mit dem Chef. praten met
gehören zu + Dat Das gehört zu meinen Aufgaben. horen bij
sich beschäftigen mit + Dat Wir beschäftigen uns mit dem Thema. zich bezighouden met
fragen nach + Dat Er fragt nach dem Weg. vragen naar

De naamval ligt vast

an, auf, über, vor, in zijn voorzetsels met twee naamvallen zolang ze een plaats aanduiden. Na een vast werkwoord verliezen ze die vrijheid: de naamval hoort bij het werkwoord en heeft niets met beweging te maken.

  • Ich warte auf den Bus. — vierde naamval, terwijl er niemand ergens heen gaat.
  • Ich habe Angst vor dem Hund. — derde naamval, terwijl dit geen plaats is.

Twee voorzetsels in één zin

  • Ich spreche mit dem Chef über das Problem. — Ik praat met de baas over het probleem.
  • Sie bedankt sich bei der Kollegin für die Hilfe. — Zij bedankt haar collega voor de hulp.

Let op als Nederlandstalige

  • Veel combinaties komen overeen met het Nederlands: warten auf, denken an, Angst haben vor, teilnehmen an, fragen nach. Dat scheelt, maar het maakt het moment waarop ze afwijken juist verraderlijk.
  • De naamval is het echte werk en ligt vast: ✗ Ich warte auf dem Bus. / ✓ Ich warte auf den Bus.; ✗ Angst vor den Hund / ✓ Angst vor dem Hund.
  • Een paar combinaties wijken af: «zich ergeren aan» is sich ärgern über, «zorgen voor» is sich kümmern um: ✗ Ich ärgere mich an dem Lärm. / ✓ Ich ärgere mich über den Lärm.
  • sich freuen heeft twee voorzetsels: auf voor iets wat nog komt («zich verheugen op»), über voor iets wat al gebeurd is («blij zijn met»): ✗ Ich freue mich über den Urlaub nächste Woche. / ✓ Ich freue mich auf den Urlaub nächste Woche.

Voorbeelddialoog

Worauf wartest du? — Waar wacht je op?
Auf die Antwort vom Amt. Ich habe letzte Woche um einen Termin gebeten. — Op het antwoord van de gemeente. Ik heb vorige week om een afspraak gevraagd.
Kümmert sich jemand darum? — Regelt iemand dat?
Meine Kollegin. Ich treffe mich morgen mit ihr. — Mijn collega. Ik spreek morgen met haar af.

Wil je dat het blijft hangen? Doe de interactieve quiz en oefen deze structuur met gespreide herhaling.

Oefen dit onderwerp gratis

Meer Duitse grammatica