Langrit Start je gratis proefperiode

← Alle lessen Duitse grammatica

Tegenwoordige tijd: regelmatige werkwoorden (Präsens)

Gratis les Duitse grammatica · A1

Stam plus uitgang

Haal -en (of -n) van de infinitief af en je hebt de stam. Daar komt per persoon een uitgang achter: wohnenwohn-ich wohne.

Persoon Uitgang wohnen (wonen) lernen (leren) spielen (spelen)
ich -e wohne lerne spiele
du -st wohnst lernst spielst
er / sie / es -t wohnt lernt spielt
wir -en wohnen lernen spielen
ihr -t wohnt lernt spielt
sie / Sie -en wohnen lernen spielen

Het Duits heeft dus vier verschillende uitgangen (-e, -st, -t, -en) waar het Nederlands er drie heeft. De vormen bij wir, sie en Sie zijn gelijk aan de infinitief, en er en ihr hebben dezelfde vorm.

Stam op -d of -t: er komt een e tussen

arbeitst en findt zijn niet uit te spreken, dus schuift er een -e- voor -st en -t. Hetzelfde gebeurt bij een medeklinker plus m of n (öffnen, rechnen, atmen).

Persoon arbeiten (werken) finden (vinden) öffnen (openen)
ich arbeite finde öffne
du arbeitest findest öffnest
er / sie / es arbeitet findet öffnet
ihr arbeitet findet öffnet

Stam op -s, -ß, -z, -x: du krijgt alleen -t

De s van -st smelt samen met de stam, dus du en er zien er hetzelfde uit:

  • heißen: du heißt, er heißt — jij heet, hij heet
  • tanzen: du tanzt, sie tanzt — jij danst, zij danst
  • reisen: du reist, er reist — jij reist, hij reist

Wat de tegenwoordige tijd allemaal dekt

Eén Duitse vorm dekt meer dan één Nederlandse zin:

  • Ich koche. — Ik kook. / Ik ben aan het koken.
  • Wir wohnen seit drei Jahren in Hamburg. — We wonen al drie jaar in Hamburg.
  • Morgen besuche ich meine Oma. — Morgen ga ik bij mijn oma langs.

Let op als Nederlandstalige

  • De ik-vorm is in het Nederlands de kale stam, in het Duits komt er -e achter: ✗ Ich wohn in Berlin. / ✓ Ich wohne in Berlin.
  • De du-vorm eindigt op -st, niet op -t, en die -s blijft ook staan bij inversie, anders dan bij «woon jij?»: ✗ Du wohnt hier. en ✗ Wohn du hier? / ✓ Du wohnst hier. en ✓ Wohnst du hier?
  • «Jullie wonen» lijkt op een infinitief, maar de ihr-vorm eindigt op -t: ✗ Ihr wohnen in Köln. / ✓ Ihr wohnt in Köln.
  • «Aan het ... zijn» vertaal je niet letterlijk. Ich bin am Lernen hoor je wel in de spreektaal, maar met een lijdend voorwerp gaat het mis. Gebruik de tegenwoordige tijd, eventueel met gerade: ✗ Ich bin einen Brief am Schreiben. / ✓ Ich schreibe gerade einen Brief.

Voorbeelddialoog

Was machst du beruflich? — Wat doe je voor werk?
Ich arbeite in einer Bäckerei. Und du? — Ik werk in een bakkerij. En jij?
Ich studiere noch. Ich lerne gerade für eine Prüfung. — Ik studeer nog. Ik ben nu aan het leren voor een tentamen.
Wie lange wohnst du schon in Leipzig? — Hoe lang woon je al in Leipzig?
Seit einem Jahr. — Al een jaar.

Wil je dat het blijft hangen? Doe de interactieve quiz en oefen deze structuur met gespreide herhaling.

Oefen dit onderwerp gratis

Meer Duitse grammatica