Langrit Start je gratis proefperiode

← Alle lessen Duitse grammatica

De werkwoorden sein en haben (zijn en hebben)

Gratis les Duitse grammatica · A1

Twee onregelmatige basiswerkwoorden

sein (zijn) en haben (hebben) zijn de meest gebruikte werkwoorden van het Duits. Ze zijn onregelmatig, dus je leert de vormen uit je hoofd. Later bouw je er ook de voltooide tijd mee: ich habe gegessen, ich bin gefahren.

De vormen in de tegenwoordige tijd

Persoon sein haben
ich bin habe
du bist hast
er / sie / es ist hat
wir sind haben
ihr seid habt
sie / Sie sind haben

Let op de spelling: ihr seid (jullie zijn) is iets anders dan seit (sinds). Bij haben valt de b weg in du hast en er hat, terwijl het Nederlandse «jij hebt» die juist houdt.

Waarvoor je sein gebruikt

  • Naam en herkomst: Ich bin Tom. Ich bin aus Irland. — Ik ben Tom. Ik kom uit Ierland.
  • Beroep en nationaliteit, zonder lidwoord: Sie ist Ärztin. — Zij is arts.
  • Beschrijving: Die Wohnung ist hell. — Het appartement is licht.
  • Plaats: Wir sind im Supermarkt. — We zijn in de supermarkt.
  • Leeftijd: Mein Sohn ist sechs Jahre alt. — Mijn zoon is zes jaar.

Waarvoor je haben gebruikt

  • Bezit en familie: Ich habe zwei Kinder. — Ik heb twee kinderen.
  • Afspraken en tijd: Hast du morgen Zeit? — Heb je morgen tijd?
  • Vaste uitdrukkingen, vrijwel allemaal net als in het Nederlands:
Duits (haben + zelfstandig naamwoord) Nederlands
Ich habe Hunger. Ik heb honger.
Ich habe Durst. Ik heb dorst.
Er hat Angst. Hij is bang.
Wir haben recht. Wij hebben gelijk.
Sie hat Kopfschmerzen. Zij heeft hoofdpijn.
Ich habe keine Lust. Ik heb geen zin.

Uitzondering: waar het Nederlands «ik heb het koud» zegt, gebruikt het Duits sein met een derde naamval: Mir ist kalt. Hetzelfde geldt voor Mir ist warm. en Mir ist schlecht. (ik ben misselijk).

Vragen

Het werkwoord gaat naar voren, precies zoals in het Nederlands: Bist du müde? — Ben je moe? Haben Sie ein Zimmer frei? — Heeft u een kamer vrij?

Let op als Nederlandstalige

  • Bij een leeftijd staat er alt achter, of helemaal niets: ✗ Ich bin 30 Jahre. / ✓ Ich bin 30 Jahre alt. of Ich bin 30.
  • «Ik heb het koud» vertaal je niet letterlijk: ✗ Ich habe es kalt. / ✓ Mir ist kalt. (Ich bin kalt zegt iets over je karakter.)
  • De vorm bij ihr is seid, niet sind: ✗ Ihr sind sehr nett. / ✓ Ihr seid sehr nett. En seid met een d is het werkwoord, seit met een t betekent «sinds».
  • haben verliest de b: ✗ Du habst ein Auto. / ✓ Du hast ein Auto.

Voorbeelddialoog

Hallo! Bist du neu hier? — Hallo! Ben jij hier nieuw?
Ja, ich bin Leila. Ich bin aus Marokko. — Ja, ik ben Leila. Ik kom uit Marokko.
Hast du Hunger? Wir haben Pizza. — Heb je honger? We hebben pizza.
Danke, aber ich habe keinen Hunger. Mir ist nur kalt. — Dank je, maar ik heb geen honger. Ik heb het alleen koud.

Wil je dat het blijft hangen? Doe de interactieve quiz en oefen deze structuur met gespreide herhaling.

Oefen dit onderwerp gratis

Meer Duitse grammatica