Langrit Start je gratis proefperiode

← Alle lessen Duitse grammatica

Woordgeslacht en lidwoorden (der, die, das, ein, eine)

Gratis les Duitse grammatica · A1

Drie geslachten in plaats van twee

Het Nederlands heeft er in de praktijk twee, «de» en «het». Het Duits heeft er drie: mannelijk, vrouwelijk en onzijdig. Het geslacht hoort bij het woord en niet bij het ding: der Löffel (lepel) is mannelijk, die Gabel (vork) vrouwelijk, das Messer (mes) onzijdig. Het lidwoord laat het geslacht zien, dus leer elk zelfstandig naamwoord met zijn lidwoord: niet Tisch, maar der Tisch.

Alle zelfstandige naamwoorden krijgen bovendien een hoofdletter: der Tisch, die Straße, das Haus.

De lidwoorden in de nominatief

Mannelijk Vrouwelijk Onzijdig Meervoud
bepaald (de, het) der Mann die Frau das Kind die Kinder
onbepaald (een) ein Mann eine Frau ein Kind geen lidwoord: Kinder

Mannelijk en onzijdig delen ein, dus in de nominatief zie je daar geen verschil. In het meervoud is het altijd die, net zoals het Nederlands daar altijd «de» gebruikt.

  • Der Bus kommt. — De bus komt eraan.
  • Das ist eine Wohnung in Köln. — Dat is een appartement in Keulen.
  • Das Zimmer ist klein. — De kamer is klein.
  • Die Kinder spielen. — De kinderen spelen.

Patronen die helpen

Het geslacht is vaak niet te voorspellen, maar sommige uitgangen zijn betrouwbaar:

Uitgang of groep Geslacht Voorbeelden
-ung, -heit, -keit, -schaft, -ion, -tät vrouwelijk die Wohnung, die Freiheit, die Möglichkeit, die Information
-chen, -lein (verkleinwoorden) onzijdig das Mädchen, das Brötchen
-ment, -um meestal onzijdig das Dokument, das Zentrum
mannelijke personen, dagen, maanden, seizoenen mannelijk der Vater, der Montag, der Mai, der Winter
-er bij beroepen mannelijk der Lehrer, der Fahrer
vrouwelijke vorm op -in vrouwelijk die Lehrerin, die Ärztin
werkwoord als zelfstandig naamwoord onzijdig das Essen, das Schwimmen

Bij samenstellingen bepaalt het laatste deel het geslacht, precies zoals in het Nederlands: das Haus + die Tür = die Haustür.

Natuurlijk en grammaticaal geslacht

Bij de meeste personen klopt het lidwoord met het geslacht: der Mann, die Frau. De uitzondering zijn verkleinwoorden: das Mädchen (het meisje) is onzijdig vanwege -chen, net zoals «het meisje» in het Nederlands. Het grammaticale geslacht bepaalt ook het voornaamwoord: Der Tisch ist groß. Er ist neu.

Let op als Nederlandstalige

  • «Het» betekent niet automatisch das. het meisje is das Mädchen, maar de auto is das Auto, de fiets is das Fahrrad en het uur is die Stunde: ✗ der Auto / ✓ das Auto.
  • Alles wat «de» is, splitst in het Duits in der en die. Gokken op der gaat vaak mis: de krant is die Zeitung, de vraag is die Frage.
  • «Een» verandert in het Nederlands nooit, ein wel: ✗ Das ist ein Wohnung. / ✓ Das ist eine Wohnung.
  • Het Nederlands schrijft zelfstandige naamwoorden klein, het Duits altijd met een hoofdletter: ✗ Hier liegt ein stift. / ✓ Hier liegt ein Stift.

Voorbeelddialoog

Was ist das? — Wat is dat?
Das ist eine Lampe. Die Lampe ist neu. — Dat is een lamp. De lamp is nieuw.
Und das? Ist das ein Stuhl? — En dat? Is dat een stoel?
Ja, das ist ein Stuhl. Der Stuhl ist sehr bequem. — Ja, dat is een stoel. De stoel zit heel lekker.

Wil je dat het blijft hangen? Doe de interactieve quiz en oefen deze structuur met gespreide herhaling.

Oefen dit onderwerp gratis

Meer Duitse grammatica