Het werkwoord staat voorop
De neutrale woordvolgorde in geschreven Arabisch is werkwoord, onderwerp, lijdend voorwerp (VSO):
- كَتَبَ الطَّالِبُ الرِّسَالَةَ. — De student schreef de brief.
- قَرَأَ الْوَلَدُ الْكِتَابَ. — De jongen las het boek.
- فَتَحَتِ الْمُعَلِّمَةُ الْبَابَ. — De lerares deed de deur open.
Het onderwerp (الْفَاعِل) staat in de nominatief, het lijdend voorwerp (الْمَفْعُول بِهِ) in de accusatief. Omdat de uitgangen de rollen tonen, kan de volgorde veranderen zonder verwarring, maar werkwoord voorop is de standaard.
Je mag ook met het onderwerp beginnen. Dan is het een naamwoordelijke zin met een werkwoord als gezegde, en ligt de nadruk op het onderwerp: الطَّالِبُ كَتَبَ الرِّسَالَةَ. — De student (en niet iemand anders) schreef de brief.
Een werkwoord vóór het onderwerp blijft enkelvoud
Staat het werkwoord vóór het onderwerp, dan krijgt het geen meervoudsuitgang, hoeveel mensen er ook bij betrokken zijn:
| Werkwoord voorop | Onderwerp voorop |
|---|---|
| ذَهَبَ الطُّلَّابُ. | الطُّلَّابُ ذَهَبُوا. |
| كَتَبَ الْمُهَنْدِسُونَ. | الْمُهَنْدِسُونَ كَتَبُوا. |
| وَصَلَتِ الطَّالِبَاتُ. | الطَّالِبَاتُ وَصَلْنَ. |
Beide kolommen betekenen hetzelfde. Het geslacht laat het werkwoord wel zien: een vrouwelijk onderwerp krijgt ـَتْ, ook als het werkwoord voorop staat.
Congruentie in geslacht
- ذَهَبَتْ لَيْلَى إِلَى السُّوقِ. — Layla ging naar de markt.
- دَرَسَتِ الطَّالِبَاتُ كَثِيرًا. — De studentes hebben veel gestudeerd.
- وَصَلَتِ السَّيَّارَاتُ. — De auto's zijn aangekomen. (meervoud van dingen = vrouwelijk enkelvoud)
Komt een werkwoord op sukun voor ال, dan wordt er een kasra toegevoegd: دَرَسَتْ + الطَّالِبَاتُ = دَرَسَتِ الطَّالِبَاتُ.
Waar het lijdend voorwerp staat
Is het lijdend voorwerp een voornaamwoord, dan hangt het aan het werkwoord en komt het vóór het onderwerp: قَرَأَهُ الْوَلَدُ. — De jongen las het.
Let op als Nederlandstalige
- In een Nederlandse hoofdzin staat de persoonsvorm op de tweede plaats, meestal na het onderwerp. Het Arabisch begint gewoon met het werkwoord; dat is geen vraag en geen inversie. ✓ كَتَبَ الطَّالِبُ الرِّسَالَةَ.
- Bij Nederlandse inversie ("Gisteren gingen de studenten") blijft het werkwoord meervoud. In het Arabisch niet. ✗ ذَهَبُوا الطُّلَّابُ. / ✓ ذَهَبَ الطُّلَّابُ.
- Het Nederlandse werkwoord heeft geen geslacht; het Arabische wel. ✗ ذَهَبَ لَيْلَى. / ✓ ذَهَبَتْ لَيْلَى.
- Het lijdend voorwerp krijgt een fatha. ✗ قَرَأَ الْوَلَدُ الْكِتَابُ. / ✓ قَرَأَ الْوَلَدُ الْكِتَابَ.
Voorbeelddialoog
مَاذَا حَدَثَ فِي الْمَدْرَسَةِ؟ — Wat is er op school gebeurd?
وَصَلَ الْمُعَلِّمُونَ مُبَكِّرًا. — De leraren kwamen vroeg aan.
وَالطُّلَّابُ؟ — En de studenten?
الطُّلَّابُ وَصَلُوا بَعْدَهُمْ. — De studenten kwamen na hen.
وَمَنْ فَتَحَ الْبَابَ؟ — En wie deed de deur open?
فَتَحَتِ الْمُدِيرَةُ الْبَابَ. — De directrice deed de deur open.