Langrit Start je gratis proefperiode

← Alle lessen Arabische grammatica

Voornaamwoorden als voorwerp: aan werkwoorden en voorzetsels

Gratis les Arabische grammatica · A2

Dezelfde uitgangen, met één uitzondering

De uitgangen die je bij zelfstandige naamwoorden leerde (كِتَابِي, كِتَابُهُ), gebruik je ook als voorwerp achter werkwoorden en voorzetsels. Alleen de eerste persoon verandert: aan een werkwoord is "mij" ـنِي, niet ـِي. Het Nederlands maakt een vergelijkbaar onderscheid tussen "mijn" en "mij".

Uitgang Aan een werkwoord Betekenis
ـنِي يُسَاعِدُنِي hij helpt mij
ـكَ / ـكِ يُسَاعِدُكَ / يُسَاعِدُكِ hij helpt jou (m / v)
ـهُ يُسَاعِدُهُ hij helpt hem, het
ـهَا يُسَاعِدُهَا hij helpt haar
ـنَا يُسَاعِدُنَا hij helpt ons
ـكُمْ يُسَاعِدُكُمْ hij helpt jullie
ـهُمْ يُسَاعِدُهُمْ hij helpt hen
  • رَأَيْتُهَا فِي السُّوقِ. — Ik zag haar op de markt.
  • الْمُعَلِّمُ يَعْرِفُنِي. — De leraar kent mij.
  • هَلْ تَفْهَمُونَنَا؟ — Begrijpen jullie ons?

Voorzetsels krijgen dezelfde uitgangen

Voorzetsel Met uitgang
مَعَ مَعِي، مَعَكَ، مَعَهُ، مَعَهَا
عِنْدَ عِنْدِي، عِنْدَكَ، عِنْدَهُ
لِـ لِي، لَكَ، لَهُ، لَهَا، لَهُمْ
بِـ بِي، بِكَ، بِهِ، بِهَا
مِنْ مِنِّي، مِنْكَ، مِنْهُ، مِنْهَا
فِي فِيَّ، فِيكَ، فِيهِ، فِيهَا
إِلَى إِلَيَّ، إِلَيْكَ، إِلَيْهِ، إِلَيْهَا
عَلَى عَلَيَّ، عَلَيْكَ، عَلَيْهِ، عَلَيْهَا

إِلَى en عَلَى eindigen op een stille alif die voor een uitgang een ي wordt: إِلَى + هَا = إِلَيْهَا.

هُ wordt هِ na een i-klank

Na ـِ, ـِي of ـَيْ wordt de klinker van ـهُ en ـهُمْ een kasra:

  • بِهِ (bihi), فِيهِ (fīhi), إِلَيْهِ (ilayhi), عَلَيْهِمْ (ʿalayhim)
  • فِي بَيْتِهِ (fī baytihi) — in zijn huis

De stille alif verdwijnt

كَتَبُوا schrijf je met een alif na de و. Zodra er een uitgang volgt, valt die alif weg: كَتَبُوهُ — ze schreven het; سَأَلُونِي — ze vroegen mij.

Let op als Nederlandstalige

  • In het Nederlands is "hem", "haar" of "mij" een los woord achter het werkwoord. In het Arabisch mag dat niet. ✗ أَرَى هُوَ. / ✓ أَرَاهُ. (Ik zie hem.)
  • "Mij" aan een werkwoord heeft een extra ن, net zoals "mij" in het Nederlands niet "mijn" is. ✗ يُسَاعِدِي / ✓ يُسَاعِدُنِي.
  • "Naar haar", "met hem": ook hier geen los voornaamwoord, en إِلَى verandert van vorm. ✗ إِلَى هِيَ / ✗ إِلَاهَا / ✓ إِلَيْهَا.
  • Laat de alif weg zodra er een uitgang komt. ✗ كَتَبُواهُ / ✓ كَتَبُوهُ.

Voorbeelddialoog

هَلْ رَأَيْتَ أَحْمَدَ؟ — Heb je Ahmed gezien?
نَعَمْ، رَأَيْتُهُ أَمْسِ وَتَكَلَّمْتُ مَعَهُ. — Ja, ik heb hem gisteren gezien en met hem gepraat.
وَمَاذَا قَالَ لَكَ؟ — En wat zei hij tegen je?
قَالَ لِي إِنَّهُ سَيَزُورُنَا غَدًا. — Hij zei dat hij morgen bij ons langskomt.
أَرْسِلْ إِلَيْهِ رِسَالَةً. — Stuur hem een bericht.

Wil je dat het blijft hangen? Doe de interactieve quiz en oefen deze structuur met gespreide herhaling.

Oefen dit onderwerp gratis

Meer Arabische grammatica