Dezelfde uitgangen, met één uitzondering
De uitgangen die je bij zelfstandige naamwoorden leerde (كِتَابِي, كِتَابُهُ), gebruik je ook als voorwerp achter werkwoorden en voorzetsels. Alleen de eerste persoon verandert: aan een werkwoord is "mij" ـنِي, niet ـِي. Het Nederlands maakt een vergelijkbaar onderscheid tussen "mijn" en "mij".
| Uitgang | Aan een werkwoord | Betekenis |
|---|---|---|
| ـنِي | يُسَاعِدُنِي | hij helpt mij |
| ـكَ / ـكِ | يُسَاعِدُكَ / يُسَاعِدُكِ | hij helpt jou (m / v) |
| ـهُ | يُسَاعِدُهُ | hij helpt hem, het |
| ـهَا | يُسَاعِدُهَا | hij helpt haar |
| ـنَا | يُسَاعِدُنَا | hij helpt ons |
| ـكُمْ | يُسَاعِدُكُمْ | hij helpt jullie |
| ـهُمْ | يُسَاعِدُهُمْ | hij helpt hen |
- رَأَيْتُهَا فِي السُّوقِ. — Ik zag haar op de markt.
- الْمُعَلِّمُ يَعْرِفُنِي. — De leraar kent mij.
- هَلْ تَفْهَمُونَنَا؟ — Begrijpen jullie ons?
Voorzetsels krijgen dezelfde uitgangen
| Voorzetsel | Met uitgang |
|---|---|
| مَعَ | مَعِي، مَعَكَ، مَعَهُ، مَعَهَا |
| عِنْدَ | عِنْدِي، عِنْدَكَ، عِنْدَهُ |
| لِـ | لِي، لَكَ، لَهُ، لَهَا، لَهُمْ |
| بِـ | بِي، بِكَ، بِهِ، بِهَا |
| مِنْ | مِنِّي، مِنْكَ، مِنْهُ، مِنْهَا |
| فِي | فِيَّ، فِيكَ، فِيهِ، فِيهَا |
| إِلَى | إِلَيَّ، إِلَيْكَ، إِلَيْهِ، إِلَيْهَا |
| عَلَى | عَلَيَّ، عَلَيْكَ، عَلَيْهِ، عَلَيْهَا |
إِلَى en عَلَى eindigen op een stille alif die voor een uitgang een ي wordt: إِلَى + هَا = إِلَيْهَا.
هُ wordt هِ na een i-klank
Na ـِ, ـِي of ـَيْ wordt de klinker van ـهُ en ـهُمْ een kasra:
- بِهِ (bihi), فِيهِ (fīhi), إِلَيْهِ (ilayhi), عَلَيْهِمْ (ʿalayhim)
- فِي بَيْتِهِ (fī baytihi) — in zijn huis
De stille alif verdwijnt
كَتَبُوا schrijf je met een alif na de و. Zodra er een uitgang volgt, valt die alif weg: كَتَبُوهُ — ze schreven het; سَأَلُونِي — ze vroegen mij.
Let op als Nederlandstalige
- In het Nederlands is "hem", "haar" of "mij" een los woord achter het werkwoord. In het Arabisch mag dat niet. ✗ أَرَى هُوَ. / ✓ أَرَاهُ. (Ik zie hem.)
- "Mij" aan een werkwoord heeft een extra ن, net zoals "mij" in het Nederlands niet "mijn" is. ✗ يُسَاعِدِي / ✓ يُسَاعِدُنِي.
- "Naar haar", "met hem": ook hier geen los voornaamwoord, en إِلَى verandert van vorm. ✗ إِلَى هِيَ / ✗ إِلَاهَا / ✓ إِلَيْهَا.
- Laat de alif weg zodra er een uitgang komt. ✗ كَتَبُواهُ / ✓ كَتَبُوهُ.
Voorbeelddialoog
هَلْ رَأَيْتَ أَحْمَدَ؟ — Heb je Ahmed gezien?
نَعَمْ، رَأَيْتُهُ أَمْسِ وَتَكَلَّمْتُ مَعَهُ. — Ja, ik heb hem gisteren gezien en met hem gepraat.
وَمَاذَا قَالَ لَكَ؟ — En wat zei hij tegen je?
قَالَ لِي إِنَّهُ سَيَزُورُنَا غَدًا. — Hij zei dat hij morgen bij ons langskomt.
أَرْسِلْ إِلَيْهِ رِسَالَةً. — Stuur hem een bericht.