Het heden heeft geen "zijn", het verleden wel
أَنَا طَالِبٌ. heeft geen werkwoord nodig. Wil je dezelfde zin in de verleden tijd zetten, dan voeg je كَانَ toe:
- أَنَا طَالِبٌ. — Ik ben student.
- كُنْتُ طَالِبًا. — Ik was student.
| Voornaamwoord | Vorm | Klank |
|---|---|---|
| أَنَا | كُنْتُ | kuntu |
| أَنْتَ | كُنْتَ | kunta |
| أَنْتِ | كُنْتِ | kunti |
| هُوَ | كَانَ | kāna |
| هِيَ | كَانَتْ | kānat |
| نَحْنُ | كُنَّا | kunnā |
| أَنْتُمْ | كُنْتُمْ | kuntum |
| هُمْ | كَانُوا | kānū |
| هُنَّ | كُنَّ | kunna |
De lange ا wordt een korte ـُ zodra er een uitgang met een medeklinker bij komt. De tegenwoordige vorm يَكُونُ bestaat wel, maar dient voor de toekomst en na أَنْ, niet voor een gewoon "is": سَيَكُونُ الطَّقْسُ جَمِيلًا. — Het wordt mooi weer.
Het gezegde gaat naar de accusatief
كَانَ laat het onderwerp in de nominatief en zet het gezegde in de accusatief:
| Heden | Verleden |
|---|---|
| الْجَوُّ جَمِيلٌ. Het is mooi weer. | كَانَ الْجَوُّ جَمِيلًا. |
| الْبَيْتُ كَبِيرٌ. Het huis is groot. | كَانَ الْبَيْتُ كَبِيرًا. |
| هِيَ مُعَلِّمَةٌ. Zij is lerares. | كَانَتْ مُعَلِّمَةً. |
| هُمْ مُهَنْدِسُونَ. Zij zijn ingenieurs. | كَانُوا مُهَنْدِسِينَ. |
De zusters
Hetzelfde patroon, met een andere betekenis:
| Werkwoord | Betekenis | Voorbeeld |
|---|---|---|
| أَصْبَحَ | worden | أَصْبَحَ الْجَوُّ بَارِدًا. Het werd koud. |
| صَارَ | worden | صَارَ مُهَنْدِسًا. Hij werd ingenieur. |
| مَا زَالَ | nog steeds zijn | مَا زَالَ الطَّقْسُ حَارًّا. Het is nog steeds warm. |
| لَيْسَ | niet zijn | لَيْسَ الْبَيْتُ كَبِيرًا. Het huis is niet groot. |
كان met een werkwoord in de tegenwoordige tijd
Zo zegt het Arabisch "vroeger deed ik" en "ik was aan het doen", waarvoor het Nederlands vaak gewoon de onvoltooid verleden tijd gebruikt:
- كُنْتُ أَدْرُسُ فِي الْجَامِعَةِ. — Vroeger studeerde ik aan de universiteit.
- كَانَتْ تَعْمَلُ فِي الْمُسْتَشْفَى. — Zij werkte (toen) in het ziekenhuis.
- كَانُوا يَلْعَبُونَ كُلَّ يَوْمٍ. — Ze speelden elke dag.
Beide werkwoorden passen zich aan hetzelfde onderwerp aan.
Let op als Nederlandstalige
- Na "was" verandert in het Nederlands niets aan het woord erna; in het Arabisch krijgt het gezegde een fatha. ✗ كَانَ الْجَوُّ جَمِيلٌ. / ✓ كَانَ الْجَوُّ جَمِيلًا. Dat geldt ook na "worden": ✗ صَارَ مُهَنْدِسٌ. / ✓ صَارَ مُهَنْدِسًا.
- كَانَ past zich aan het onderwerp aan, ook als dat erachter staat. ✗ كَانَ لَيْلَى مُعَلِّمَةً. / ✓ كَانَتْ لَيْلَى مُعَلِّمَةً.
- "Ik was aan het schrijven" of "ik schreef (altijd)" is niet كُنْتُ كَتَبْتُ (dat is eerder "ik had geschreven"). ✓ كُنْتُ أَكْتُبُ.
Voorbeelddialoog
أَيْنَ كُنْتَ أَمْسِ؟ — Waar was je gisteren?
كُنْتُ فِي الْمَكْتَبَةِ. كُنْتُ أَدْرُسُ. — Ik was in de bibliotheek. Ik zat te studeren.
وَكَيْفَ كَانَ الْجَوُّ؟ — En hoe was het weer?
كَانَ بَارِدًا فِي الصَّبَاحِ ثُمَّ أَصْبَحَ جَمِيلًا. — 's Ochtends was het koud en daarna werd het mooi.
أُمِّي كَانَتْ مُعَلِّمَةً هُنَاكَ. — Mijn moeder was daar lerares.