Toekomst = tegenwoordige tijd + سـ
Het Nederlands gebruikt voor de toekomst een los werkwoord ("zullen", "gaan"). Het Arabisch zet سَـ voor het werkwoord in de tegenwoordige tijd, vast eraan geschreven:
- سَأَذْهَبُ إِلَى السُّوقِ. (sa-adhhabu) — Ik ga naar de markt. / Ik zal naar de markt gaan.
- سَتَدْرُسُ لَيْلَى غَدًا. — Layla gaat morgen studeren.
- سَنُسَافِرُ فِي الصَّيْفِ. — We gaan in de zomer op reis.
سَوْفَ is een los woord met dezelfde betekenis, iets nadrukkelijker of verder weg in de tijd: سَوْفَ نَرَى. — We zullen zien.
Toekomst ontkennen: لن + subjunctief
لَنْ vervangt سَـ en zet het werkwoord in de subjunctief (منصوب): de laatste damma wordt een fatha.
| Bevestigend | Ontkennend |
|---|---|
| سَأَذْهَبُ ik zal gaan | لَنْ أَذْهَبَ ik zal niet gaan |
| سَيَكْتُبُ hij zal schrijven | لَنْ يَكْتُبَ hij zal niet schrijven |
| سَتَدْرُسُ zij zal studeren | لَنْ تَدْرُسَ zij zal niet studeren |
Vormen op ـُونَ of ـِينَ verliezen in plaats daarvan de ن: يَذْهَبُونَ → لَنْ يَذْهَبُوا, تَذْهَبِينَ → لَنْ تَذْهَبِي.
Verleden ontkennen: لم + jussief
Voor "niet gedaan" ontken je gewoonlijk niet de verledentijdsvorm. Je neemt لَمْ met de tegenwoordige vorm in de jussief (مجزوم), die op sukun eindigt:
| Verleden | Ontkennend |
|---|---|
| ذَهَبْتُ ik ging | لَمْ أَذْهَبْ ik ging niet |
| كَتَبَ hij schreef | لَمْ يَكْتُبْ hij schreef niet |
| دَرَسَتْ zij studeerde | لَمْ تَدْرُسْ zij studeerde niet |
| ذَهَبُوا zij gingen | لَمْ يَذْهَبُوا zij gingen niet |
مَا met de verledentijdsvorm (مَا ذَهَبْتُ) betekent hetzelfde. Dat is correct maar minder formeel, en in de meeste spreektalen de gewone vorm.
Zes zinnen naast elkaar
- أَذْهَبُ. — Ik ga.
- لَا أَذْهَبُ. — Ik ga niet.
- سَأَذْهَبُ. — Ik zal gaan.
- لَنْ أَذْهَبَ. — Ik zal niet gaan.
- ذَهَبْتُ. — Ik ging. / Ik ben gegaan.
- لَمْ أَذْهَبْ. — Ik ging niet. / Ik ben niet gegaan.
Let op als Nederlandstalige
- "Zullen" en "gaan" zijn in het Nederlands losse woorden; سَـ is één letter die vastzit. ✗ سَ أَذْهَبُ / ✓ سَأَذْهَبُ. Ook "gaan" als hulpwerkwoord vertaal je niet: ✗ أَذْهَبُ أَنْ أَكْتُبَ. voor "ik ga schrijven" / ✓ سَأَكْتُبُ.
- Na لَنْ eindigt het werkwoord op fatha. ✗ لَنْ أَذْهَبُ. / ✓ لَنْ أَذْهَبَ.
- "Ik ben niet gegaan" bevat in het Nederlands een voltooid deelwoord; na لَمْ gebruik je juist de tegenwoordige vorm. ✗ لَمْ ذَهَبْتُ. / ✓ لَمْ أَذْهَبْ.
Voorbeelddialoog
هَلْ سَتَذْهَبُ إِلَى الْحَفْلَةِ؟ — Ga je naar het feest?
لَا، لَنْ أَذْهَبَ. عِنْدِي عَمَلٌ. — Nee, ik ga niet. Ik moet werken.
وَلِمَاذَا لَمْ تَأْتِ أَمْسِ؟ — En waarom ben je gisteren niet gekomen?
لَمْ أَسْمَعْ عَنِ الْمَوْعِدِ. — Ik had niets over de afspraak gehoord.
سَأُخْبِرُكَ فِي الْمَرَّةِ الْقَادِمَةِ. — Ik laat het je de volgende keer weten.