Het werkwoord in de tegenwoordige tijd heeft drie uitgangen
Het werkwoord dat je kent, eindigt op damma. Bepaalde partikels ervoor veranderen die uitgang:
| Wijs | Uitgang | هُوَ | هُمْ | أَنْتِ |
|---|---|---|---|---|
| indicatief (مَرْفُوع) | ـُ | يَكْتُبُ | يَكْتُبُونَ | تَكْتُبِينَ |
| subjunctief (مَنْصُوب) | ـَ | يَكْتُبَ | يَكْتُبُوا | تَكْتُبِي |
| jussief (مَجْزُوم) | ـْ | يَكْتُبْ | يَكْتُبُوا | تَكْتُبِي |
Wat de subjunctief oproept
أَنْ (dat, te), لَنْ (zal niet), كَيْ en لِكَيْ (om te), لِـ (om te), حَتَّى (totdat, zodat):
- أُرِيدُ أَنْ أَذْهَبَ إِلَى السُّوقِ. — Ik wil naar de markt gaan.
- لَنْ يَكْتُبَ الرِّسَالَةَ. — Hij zal de brief niet schrijven.
- دَرَسْتُ كَيْ أَنْجَحَ. — Ik heb gestudeerd om te slagen.
- اِنْتَظَرْتُ حَتَّى يَصِلَ. — Ik wachtte tot hij aankwam.
Wat de jussief oproept
لَمْ (niet, in het verleden), لَا van het verbod (doe niet), لِـ van de aansporing (laten we):
- لَمْ يَكْتُبِ الرِّسَالَةَ. — Hij heeft de brief niet geschreven.
- لَا تَذْهَبْ إِلَى هُنَاكَ. — Ga daar niet heen.
- لِنَذْهَبْ مَعًا. — Laten we samen gaan.
De vijf werkwoordsvormen verliezen hun nun
Vormen op ـُونَ, ـِينَ en ـَانِ krijgen geen andere klinker. Ze laten in subjunctief én jussief gewoon de ن vallen:
| Indicatief | Subjunctief of jussief |
|---|---|
| يَكْتُبُونَ | لَنْ يَكْتُبُوا، لَمْ يَكْتُبُوا |
| تَكْتُبِينَ | أَنْ تَكْتُبِي، لَا تَكْتُبِي |
| يَكْتُبَانِ | لَنْ يَكْتُبَا، لَمْ يَكْتُبَا |
Bij de uitgang ـوا komt de geschreven alif terug: لَنْ يَكْتُبُوا.
أن + werkwoord in plaats van een infinitief
Het Nederlands heeft een infinitief ("ik wil studeren", "om te slagen"). Het Arabisch heeft أَنْ met een vervoegd werkwoord, dat zich aan zijn eigen onderwerp aanpast:
- أُرِيدُ أَنْ أَدْرُسَ. — Ik wil studeren. (letterlijk: ik wil dat ik studeer)
- يُرِيدُ أَنْ يَدْرُسَ. — Hij wil studeren.
- أُرِيدُ أَنْ يَدْرُسَ. — Ik wil dat hij studeert.
Een masdar kan ook: أُرِيدُ الدِّرَاسَةَ. Dat komt in de les over de masdar.
Let op als Nederlandstalige
- Na "willen" of "kunnen" volgt in het Nederlands een kale infinitief. Het Arabisch heeft geen infinitief. ✗ أُرِيدُ أَذْهَبُ. / ✓ أُرِيدُ أَنْ أَذْهَبَ.
- "Om te" wordt كَيْ of لِـ met de subjunctief, niet met de gewone vorm. ✗ دَرَسْتُ كَيْ أَنْجَحُ. / ✓ دَرَسْتُ كَيْ أَنْجَحَ.
- Na لَمْ is de uitgang een sukun. ✗ لَمْ يَذْهَبُ. / ✓ لَمْ يَذْهَبْ.
- Laat de nun niet staan. ✗ أُرِيدُ أَنْ يَذْهَبُونَ. / ✓ أُرِيدُ أَنْ يَذْهَبُوا.
Voorbeelddialoog
مَاذَا تُرِيدُ أَنْ تَفْعَلَ غَدًا؟ — Wat wil je morgen doen?
أُرِيدُ أَنْ أَزُورَ الْمَتْحَفَ. — Ik wil naar het museum.
لِمَاذَا لَمْ تَذْهَبْ أَمْسِ؟ — Waarom ben je gisteren niet gegaan?
لِأَنَّ الْمَتْحَفَ كَانَ مُغْلَقًا. لَنْ أَنْتَظِرَ طَوِيلًا هَذِهِ الْمَرَّةَ. — Omdat het museum dicht was. Deze keer wacht ik niet lang.
لِنَذْهَبْ مَعًا إِذَنْ. — Laten we dan samen gaan.